Tags

, , , , ,

(Blz. 402 t/m 530; 25-3-1992 t/m 5-6-1994)

Dit deel begint met de Casperboeken. Acht boeken geschreven door Els over Casper. Ferdi weet er van, is ook wel jaloers, maar tegelijkertijd laat hij het gebeuren, moedigt het bijna aan. Els schreef ze in 1982 en 1983. We, de lezers, leren er zowel Els als Ferdi beter door kennen. Is het het voorspel naar de moord? Naar de frustratie van Ferdi, die er op een, zelfs voor hem, onverwachte manier uitkwam? Wat mij het meest verbaasde waren niet de overspelige gedachten, zelfs niet de medewerking die zowel Casper als Els krijgen van hun respectievelijke echtgenoten, maar waarom Krabbé besluit om deze boeken zo weinig aandacht te schenken. Hij citeert, maar had ook hele stukken integraal over kunnen nemen. Had het uitgemaakt, het boek is al 800 bladzijden, 1000 had ook best gekund. Waarom bepaal je wat ik moet weten, het is geen roman, het is een verslag.

Daarna is de hoofdrol voor Thomas, de zoon die ontspoort. Drugs, psychoses, inrichtingen, stelen van moeder, pieken en dalen, het is het klassieke verhaal van de zoon die ontspoort na een beroerde jeugd, na een traumatische gebeurtenis. Het leest boeiend, het zou een spin-off kunnen worden. Het leven van Thomas, de zoon van een moordenaar.

Maar het echte hoogtepunt is het sinterklaasgedicht van Els voor Ferdi. “Jong dat waren nog eens tijden / met een rijke man uit rijden. / Man moest door, jij ving veel poen / Dat had je dus niet moeten doen. / Je werd gepakt, je was berucht / Landsmeer werd een bekend gehucht. / Je werd gevonnist, Harde les / Twintig jaar en tbs.” (p.448/449) Het past geweldig in de sinterklaastraditie zoals die in Nederland heerst, er staat geen woord in dat niet klopt. Maar je verwacht het niet, wat was ik er graag bij geweest toen hij dit voorlas. Krabbé als observator, Els glunderend kijkend naar Ferdi die het gedicht moest lezen, de moordenaar die beseft dat hij geen keus heeft, die elke regel verder moet, doorheeft dat er geen genade heerst, geen medelijden. De sinterklaastraditie kan overal toegepast worden.

Ook mooi is dat Krabbé pas over de helft een geweldig moment van contemplatie beleeft. Zijn gesprekken met Ferdi gaan vaak over schuld, over het rechtssysteem, over de overheid. Ze denken er nogal verschillend over. Niet gek, ze zitten in een andere situatie. Hij komt tot de conclusie dat hij de pijlers van het strafrecht wil definiëren. Hij komt tot deze zes:
1. vergelding (pijniging dader)
2. preventie (hij kan ’t voorlopig niet meer doen)
3. afschrikking (een ander zal ’t nu niet zo gauw doen)
4. particuliere genoegdoening (troost slachtoffers)
5. algemene genoegdoening (troost geschokte maatschappij)
6. heropvoeding (hopelijk wil hij ’t later niet weer doen)

Ik ben ruim over de helft. Het boek verveelt nog steeds niet. Het is wel een hele opgave.

(wordt vervolgd)

Themaweek 80: Tim Krabbé – Vrienden