Tags

, , , , ,

Nog snel even pinnen, kan net. Ik kom de hoek om gefietst en zie dat er iemand aan het pinnen is. Ik wacht tegen de pilaar, zeker twee meter afstand van de geldautomaat.

Ik pak mijn portemonnee, haal het pasje er vast uit. Dan spreekt ze me aan. Ietwat zeurderige stem, een accent dat verraadt dat ze niet hier is geboren. Is ze serieus? “Ga even naar achter”, het klinkt als bevel, niet als verzoek. Ze heeft gelijk, ik sta schuin naast haar, niet achter haar. Ik moet lachen, kan niet omgaan met haar boosheid. “Ik kijk jou toch ook niet in de portemonnee”, blaft ze nu. Het zou kunnen, ik sta tenslotte met mijn portemonnee en pasje in de hand, maar het lijkt me niet het moment om dat nu te zeggen.

Overdreven stap ik van de fiets, zet ‘m op de standaard en demonstratief vergroot ik de afstand tussen mij en haar. “U heeft helemaal gelijk, zo goed?”, probeer ik met zo weinig mogelijk sarcasme te zeggen.

Ze is al klaar en draait weg van de geldautomaat. “Of moet ik naar de politie gaan en zeggen dat u vrouwen lastig valt en in de portemonnee kijkt?” Ze is echt boos. Ik hou me niet langer in. “Ja, dat lijkt me een goed plan, gaat u maar naar de politie.” Ze loopt weg en ik kan pinnen. Eindelijk heb ik er een ontmoet, een boze blanke man. De kranten staan er vol van, politici zoeken hem. Alleen in dit geval was hij een zij.

Advertenties