Tags

, , , ,

Oorspronkelijk: donderdag 12 mei 2005

De dikke banden race 1982 zou wel eens het begin kunnen zijn van mijn wielercarriere. Ik was 12 en had genoeg van de Tour de France gezien om te begrijpen dat je zonder ploeg niet kon winnen. De taak was dus om een goede ploeg te hebben. Ik herinner me nog precies dat we in de bibliotheek aan het overleggen waren. Waarom daar is een groot raadsel, want mijn uiteindelijke ploegmaten waren geen van allen grote lezers en het was ook zeker niet om de hoek, we woonden tenslotte allemaal binnen 150 meter van elkaar.

Op de een of andere manier was tijdens de laatste jaren geen dikke banden race geweest, ook al werd de ronde van Goor elk jaar georganiseerd. Het was altijd een mooie avond waar topamateurs graag kwamen om een paar premies te winnen en een leuk zakcentje te pakken. Dit jaar was er echter een compleet programma. Dames, junioren, veteranen en de voor mij zo belangrijke dikke banden race.

Bij het samenstellen van ons team, zoek je natuurlijk eerst naar je vrienden. Maar omdat het vakantietijd is, zijn die niet allemaal aanwezig. De buurjongen en de tweeling van een straat verderop werden uiteindelijk mijn ploeggenoten. Ik vermeed het woord knechten, maar had natuurlijk voor mijzelve wel een rol als kopman in gedachten. Aangezien we het parcours natuurlijk kenden, Goor is niet echt groot, bepaalde ik vooraf precies wie waar zou demarreren. De anderen zouden zich dan op kop van het peloton vestigen en de tegenstanders terughalen of afremmen. De laatste die zou ontsnappen was ik zelf, aan het eind van de tweede en laatste ronde. Als alles volgens plan ging, zou ik de winnaar zijn van de dikke bandenrace 1982 te Goor. En aangezien alle goede amateurploegen aanwezig waren, zou ik zeker opgepikt worden als een jeugdig talent. En wie weet wat er dan allemaal nog zou kunnen gebeuren.

De eerste tegenslag kwam in de vorm van mijn moeder. Ik moest een helm op, anders mocht ik niet meedoen. Ik had nog een helm liggen uit mijn skateboardtijd, maar was niet van plan om als enige voor gek te rijden. Maar mijn moeder was niet om te praten. Met helm, of helemaal niet. En ook al vond ik het idee om als enige met zo’n lelijk ietwat aan de kleine kant zijnde potdeksel op mijn hoofd rond te fietsen, met de duizenden toeschouwers aan de kant, weinig aanlokkelijk, het was een opoffering die ik moest maken op weg naar een gele trui tien jaar later.

De volgende tegenslag kwam bij de start. Voor onze taktiek was het erg belangrijk dat we alle vier op de eerste startrij zouden staan. Maar toen de renners werden opgeroepen naar de start te gaan, waren wij aan de andere kant van het parcours en waren er nauwelijks gaten op de eerste rij over. Vlak voor me stond een van de tweeling, op zijn iets te grote fiets. Ze waren een twee-eiige tweeling en hij was de kleinste. De fiets was volgens mij op de groei gekocht en het koste hem moeite om bij de trappers te komen. In het belang van de ploeg zijn plek op de eerste rij opgeven was hij echter niet van plan, wat mij deed vermoeden dat onze ploeg wel eens niet zo sterk zou kunnen zijn, als ik voordien hoopte.

De start even later zorgde ervoor dat onze taktiek definitief mislukte. Vlak voor me gleed mijn ploegmaat van de trappers en terwijl aan alle kanten jongens er als idioten van door gingen, stond ik geblokkeerd door mijn eigen ploegmaat, het woord knecht was duidelijk niet meer van toepassing, stil op de tweede rij. Tegen de tijd dat ik mijn fiets opgetild had en langs hem heen kon vertrekken, zag ik de koplopers de eerste bocht induiken. Het was de laatste keer dat ik ze zou zien.

De andere twee ploeggenoten waren ook niet in de buurt van de kop, de hergroepering die ik voor ogen had, was duidelijk ook een droom. Ik deed mijn best nog wat plaatsen goed te maken, ik had tenslotte een behoorlijk stuk om verloren gegaan terrein goed te maken, maar de moraal was al lang niet meer op het niveau van het zelfvertrouwen van de dagen voordien.

Omdat ik nu in mijn eentje rondfietste, op een behoorlijke afstand van de kop, had iedereen genoeg tijd om me uit te lachen vanwege mijn helm. En aan de kant van de straat gebeurde dat dan ook regelmatig. Ik kan me de opmerkingen niet meer herinneren, maar de woorden ‘helm’, ‘koekepan’ en ‘potdeksel’ kwamen via mijn oren mijn hoofd in. Ik haalde een van mijn ploegmaten in, maar wist al wel dat ook met zijn tweeën het niet te doen zou zijn om het gat naar de koplopers dicht te rijden. De wedstrijd was verloren.

Semi-nonchalant fietste ik de wedstrijd uit. Door omstandigheden geheel buiten mijn schuld reed ik nu niet mee om de prijzen, probeerde ik in de uitdrukking op mijn gezicht te leggen. Ik heb geloof ik nog een heel stuk zonder handen aan het stuur gefietst, ondertussen wel doorfietsend, want ik wilde toch niet meer ingehaald worden door de paar die nog achter me fietsten. Waarom ik zonder handen fietste weet ik eigenlijk niet, misschien om mijn nonchalance duidelijk te maken.

Mijn preciese klassering weet ik niet meer, ik geloof niet dat het bij de eerste tien was. Mijn wielercarrière was voorbij, voordat die begonnen was.

Themaweek 3: uit de oude doos