Tags

, ,

Oorspronkelijk: 11 december 2007

Hij kon het moment nog precies terughalen. Die vergadering, jaren geleden. Zijn collega viel hem aan. Onredelijk, maar zo fel dat hij zich meer verbaasde over de toon in haar stem dan over de aanval zelf. Toen zijn leidinggevende stil bleef en zo zijn instemming met de aanval te kennen gaf, brak er iets in hem.

De volgende dag ging hij voor het eerst, na al die jaren, met tegenzin naar zijn werk. Het was het spreekwoordelijke begin van het einde. Drie vergaderingen, twee conflicten en een functioneringsgesprek later zat hij ziek thuis. Lichamelijk ging het nog wel, maar hij kon het niet meer opbrengen. Overspannen. Burn out. Alle termen had hij langs horen komen.

Anderhalf jaar later, na vele gesprekken met de bedrijfsarts, begon hij op een andere afdeling, een andere opleiding. Maar het werd nooit meer hetzelfde als voorheen. De leerlingen die vroeger een bevlogen gemotiveerde docent zagen, liepen nu het lokaal in van een uitgebluste saaie ouwelul die op de automatische piloot zijn lesjes afdraaide.

Ook hier ging het weer mis. Allerlei vernieuwingen waar hij niets van begreep, waar hij het niet mee eens was. Dan maar ouderwets, “maar wat is er mis met een ouderwetse goede vakdocent?” was zijn motto in die tijd. Dit maal waren de klachten wel lichamelijk. Een licht infarct en weer twee jaar verder begon hij voor de derde keer op een andere school van het inmiddels gefuseerde instituut. Een nieuwe start, drie keer is scheepsrecht, hij begon positief.

Een echte kans werd het niet. Achter zijn rug klaagden zijn collega’s over hem, zelfs tegen leerlingen. Die zagen hem toch al als een fossiel uit prehistorische tijden. Met zijn hoofd kwam hij overeen dat hij geen les meer zou geven. Er waren genoeg taken te doen, hij kreeg een kantoorfunctie.

Weer een fusie en een verhuizing verder had hij nog maar een klein project over. En na afloop van het project zat hij thuis. Hij wachtte op wat ging komen, maar er gebeurde niets. Aan het eind van de maand kreeg hij echter wel zijn salaris. Zijn vrouw vond het prima. “Ze hebben jarenlang misbruik van je gemaakt”, oordeelde ze. Zelf kostte het hem iets meer moeite. Hij was opgegroeid in de jaren vijftig, de wederopbouw, de tijd waarin ieder zijn steentje bij moest dragen. Zijn arbeidsethos, van huis uit meegekregen, verhinderde dat hij genoot van de situatie. Hij was blij dat zijn ouders er niet meer waren, die had hij het niet kunnen uitleggen. Hij was ook bang. “Straks komen ze er achter, hoe verklaar ik dan dat ik thuis zit en niets doe?” maar hij wist ook niet bij wie hij moest aankloppen, wie hij moest vragen wat te doen.

En zo zit hij al 4 jaar thuis. Hij zit op de bank, leest de krant van A tot Z en terug. Zijn tuin heeft er nog nooit zo netjes uitgezien. Hij overweegt vrijwilligerswerk te gaan doen, maar weet dat er onvermijdelijk vragen komen die kan hij niet beantwoorden. Op verjaardagen houdt hij zich op de vlakte als hem naar zijn werk wordt gevraagd. “Ach, het is niet meer zoals het was, je weet het”, mompelt hij en eigenlijk liegt hij dan niet eens.

In de krant las hij onlangs over spookambtenaren. Ze staan op de loonlijst van het gemeentehuis, maar niemand weet wat ze doen, waar ze zijn. Hij concludeerde dat hij dus een spookdocent was geworden. Hij vroeg zichaf hoeveel andere docenten net als hij elke maand weer verbaasd het loonstrookje in de brievenbus vinden. Nog 3 jaar, en hij hoeft niet meer bang te zijn. Dan krijgt hij AOW. Een afscheidsreceptie zal hij wel niet meer krijgen. Als voor de tijd maar geen overijverige stagiaire bij personeelszaken ineens vragen gaat stellen, dan moet het goed komen. Nog drie jaar en de rust in zijn hoofd is ook weer terug. Hij had vanochtend wat onkruid gezien en loopt de tuin in. Nog drie jaar.

 

Zomerthemaweek 5: Uit de oude doos