Tags

, , , , ,

Goal, November 2011

VoorkantclubbladNaast de linksbuiten (wordt vaak vreemd gevonden) loopt nog een bijzondere speler. De spits. Elk jochie wil spits zijn, maar slechts een enkeling wordt daadwerkelijk spits. Belangrijk kenmerk van de spits is dat hij altijd scoort. Klinkt voordehandliggend, maar dat is het niet.

De spits maakt het allemaal geen moer uit. De wedstrijd kan volledig langs hem heen gaan, maar er komt een moment dat hij, ongemerkt voor zijn directe tegenstander, op de goede plaats staat en ineens de bal krijgt. Hij scoort en zijn wedstrijd is goed. Tot dat moment viel hij alleen maar op door balverlies, hangende schouders, moedeloze blik en onhandige acties. Maar nu heeft hij gescoord en wordt hij, na een beroerde wedstrijd, alsnog gekozen als man of the match. Hij heeft de beslissende gemaakt tenslotte.

De echte spits maakt het niet eens uit wat de uitslag is. Of hij wedstrijden beslist. Hij wil gewoon scoren. Na de wedstrijd vraagt hij een medespeler onopvallend wat de stand eigenlijk was. Maar als hij zelf gescoord heeft, is het antwoord niet eens belangrijk. Zijn dag is al goed. De ultieme spits: Filipo Inzaghi.

Echte spitsen zijn schaars. Een misverstand is dat de spits een goede voetballer moet zijn. Integendeel. De spits mag het spel langs zich heen laten gaan, mag 89 minuten onzichtbaar zijn, mag alle ballen van zijn voeten laten springen, want dat ene moment dat komt. Dat ene moment waarin hij ineens alles goed doet. De verdediging in slaap gesust en daar ligt de bal al in het net.

Goede voetballers die in de spits terecht komen zijn dus geen echte spitsen. Van Basten bijvoorbeeld was een wereldvoetballer, scoorde vaak en wordt door velen als de ultieme spits gezien. Maar een echte spits was hij niet. Als middenvelder was hij ook een ster geworden, had de laatste jaren van zijn carrière ook laatste man kunnen spelen, als hij fit was gebleven. Zijn voorganger daarentegen was wel een echte spits. Wim Kieft. Voorzet, hoofd ertegen en goal. Simpel, zoals een echte spits dat graag ziet.

GFC heeft eigenlijk weinig echte spitsen gehad. De geruchten gaan dat Jan Scholte in ’t Hoff er een was. Jan Tieman wordt ook genoemd. Maar sindsdien staan eigenlijk altijd goede voetballers voorin, die scoren omdat ze goed zijn, niet omdat ze een neusje voor de goal hebben. Henk Höver, Simon Ruumpol, David Ifrah, hoe ze ook heten, het zijn geen echte spitsen. Edwin Zenderink kwam nog het dichtst in de buurt. Beetje rommelen, verdediger pesten, klutsbal mee en op het juiste moment toeslaan.

Zelf ben ik sinds vorig seizoen ook weer in de spits beland. Maar ik weet dat ik geen echte spits ben. Het pure ‘torinstinct’ ontbreekt. Het per ongeluk op de juiste plek staan zit niet in mij. Vorige maand het definitieve bewijs. Markelo uit. We missen veel kansen. Heel veel kansen. Ik ook. We hadden al met dubbele cijfers moeten voorstaan, maar het staat nog steeds maar 1-2. Vlak voor tijd loop ik mee, maar de voorzet komt net achter me. Ik sta te diep. Op de doellijn draai ik mij om en zie dat de verdediger de bal tegen zijn scheenbeen aan krijgt. Het leder rolt mijn kant op. In een reflex til ik mijn voet op en laat de bal over de lijn lopen. 1-3. Een echte spits had de bal stilgelegd of aangeraakt, als de treffer maar op zijn naam zou komen. De reflex, het moment dat je niet nadenkt maar doet, bewijst voor mij dat ik geen echte spits ben en het ook nooit zal worden. Het zal niet lang duren, ik schat een kilo of drie, en ik word weer als laatste man opgesteld.