Tags

, , , , , , , , , ,

Goal, juni 2010

Bron: slrhs.files.wordpress.com

Bron: slrhs.files.wordpress.com

Tijdens het lezen van oude wedstrijdverslagen voor het jubileumboek kwam ik een verslag tegen van ons eerste uit bij Heracles, jaren twintig vorige eeuw. Wat me opviel ging niet over de wedstrijd, maar over de supporters. Er waren namelijk meerdere GFC-ers komen lopen naar Almelo om de wedstrijd te bekijken. We kunnen ons niet meer voorstellen dat dat nodig was. Niet alleen waren de mensen te arm voor een eigen vervoermiddel, ook was voetbal belangrijk genoeg om een hele dag van huis te zijn. Uren wandelen naar Almelo en anderhalf uur later weer terug.

Toen ik zelf voetbalde had ik klasgenoten die een zaterdagbaantje hadden. Ik niet. Voetbal was te belangrijk. Geld minder. Ik deed vakantiewerk in de zomer en de rest van het jaar had ik daardoor een kleine aanvulling op mijn zakgeld. Ik overwoog niet om te stoppen met voetballen. Toch had ik al veel meer keuzemogelijkheden dan mijn voorgangers bij GFC zestig jaar eerder. Er waren andere sporten, hangplekken, bijbaantjes en een uitgaansleven.

Tegenwoordig zien we, ook bij GFC, dat voetbal slechts een van de dingen in het leven van de voetballer is. Een bijbaantje vanaf 14 is normaal, uitgaan is niet meer een mogelijkheid, maar een verplichting. Je moet ook je Hyves, Facebook en MSN bijhouden, anders ben je een sociale outkast. Je sport, je team is veel minder belangrijk dan vroeger. GFC verliest vele leden tussen de 15 en 21 jaar oud. We zijn daarin overigens niet bijzonder, vele clubs kennen het probleem.

Natuurlijk generaliseer ik als ik de drie tijdperken zo naast elkaar zet, maar ver zit ik er niet naast gok ik. Nog een verschil. In de jaren twintig had GFC 100 leden. In de jaren tachtig 400, ondertussen meer dan 700. Twee tegenstrijdige bewegingen dus. Terwijl de vereniging groeit, wordt de band met de club losser. ‘Een vriend voetbalt elders, dan ga ik daar ook heen’, is een gedachte die nooit bij mij opkwam. In een klas vol Hectorianen had ik vrienden bij alle drie de clubs vroeger. Maar ik was en bleef ’n rooi’n.

GFC moet nadenken over de toekomst. Terwijl een groeiende club meer kader, meer vrijwilligers nodig heeft, heb je minder mensen die zich zelf opwerpen. Vroeger was je trots als je gevraagd werd als jeugdleider, maar pas als je zelf in de senioren speelde. Nu zijn we blij dat er B-spelers zijn die leider willen zijn en fluiten C-spelers wedstrijden bij de F-jes. We moeten wel. Maar of het een goede ontwikkeling is betwijfel ik. Van twee selecties, vier elftallen, die elke week twee keer trainden, zijn we bij een uitgebreid eerste gekomen dat nog twee keer traint. Van vier naar negen elftallen, maar nu weer terug naar vijf.

Hoe gaan we de 750 leden waar GFC naar streeft allemaal dezelfde mogelijkheden bieden, goede faciliteiten, een goede organisatie? Betekent meer leden ook automatisch meer vrijwilligers?

De tijden veranderen, Bob Dylan zong het al. GFC verandert mee. Een website, een tribune, dames- en meisjesvoetbal, een G-team en Ukken hebben de plaats ingenomen van het zaterdagteam, zaalvoetbal en de Revue. We gaan klootschieten, terwijl we vroeger met Pinksteren fietsten. De ledenvergadering is geen Poolse landdag meer en gelukkig hebben we ook geen elftalcommissie meer die bepaalt wie er zondag in het eerste staat.

GFC heeft een erg rijke geschiedenis, het lijkt er op dat we ook een mooie toekomst hebben. Maar hoe dit toekomst er uit ziet, daar moet over nagedacht worden. Niet alleen door het bestuur, maar door de hele club. Door iedereen die zich betrokken voelt bij de club. Door iedereen die zondag naar Almelo zou lopen als ons eerste daar speelt en er geen andere mogelijkheid was om er te komen.

Advertenties