Tags

,

Ik ben aan het spelen met mijn vriendinnetje Nova. We zijn al in de grote speeltuin geweest. En ook in het kleine speeltuintje, met de kleine glijbaan. We hadden al een fruit gehad thuis, dus konden we voor een snoepje beter naar oma gaan. Die woont vlak bij. De auto staat er niet, maar ik kan wel bij de bel. Gewoon aan de deurkruk hangen en dan kun je er bij.

Niemand doet open. Even door het raam kijken. Ik zie niemand. Kom maar Nova, we gaan achterom. Gelukkig de poort is los. De achterdeur ook. Ik zie niemand. Misschien in de slaapkamer? Nee. Boven? Onder aan de trap schreeuw ik heel hard: “Oooomaaaa”, maar ik hoor niets. Ze zijn er niet denk ik.

Maar ik weet precies waar de snoepjes staan. Moet je wel even het krukje gebruiken in de keuken. Daarmee kun je op het aanrecht klimmen en dan kun je bij de kast. We nemen er twee. Mag vast wel van oma. Ik zet de snoepjes terug in de kast. Zullen we nog even spelen?

Even later komt mama kijken. Nova en ik zitten lekker te spelen. Ik doe de deur open voor mama, die vraagt waar oma en opa zijn. Weet ik ook niet. We moeten weer weg van mama.

Toen we de andere keer naar oma gingen, vroeg oma of ik een snoepje had gehad. Ik heb nee gezegd. Oma zei dat er dan inbrekers waren geweest. “Denk ik ook”, heb ik maar gezegd. Zou oma echt die paar snoepjes missen?

Advertenties