Tags

,

Deel 3, vervolg op deel 1 (Die ogen) en deel 2 (Weer die ogen).

Bron: rohitsaxenaspeaks.blogspot.nl

Hij heeft moeite zijn ogen op de weg te houden. Keer op keer kijkt hij opzij. Parijs nog 137 kilometer staat er boven de weg. Ze zit naast hem. Zijn auto staat bij een tankstation en samen zijn ze verder gereden. Lang leve de Europese unie, geen grenscontroles, op weg naar de stad van de liefde.

Die ochtend lukte het hem eindelijk om naast haar te geraken in de file. Niet alleen haar ogen waren mooi, dat verbaasde hem niets overigens. Wel dat ze ook naar hem bleef kijken. Toen hij eindelijk het briefje met zijn mobiele nummer er op geschreven, dat al weken naast hem lag op de passagiersstoel voor het geval dat, omhoog kon houden, duurde het geen tien seconden of het ding begon te trillen. Zij had hands free. Hij niet, maar een bekeuring kon hem op dat moment geen ene moer schelen. Al snel spraken ze af bij het tankstation na zijn afslag. Snel belde hij zijn werk dat hij ziek was, hopelijk hoorden ze niet dat hij in zijn auto zat.

Bij het tankstation wist hij eerst niet wat hij moest zeggen. Gelukkig nam zij het initiatief en voordat hun kartonnen bekertje donker vocht dat voor koffie door moest gaan leeg was, besloten ze er samen van door te gaan. Naar Parijs nog wel. Zelfs in zijn stoutste dromen had hij dat niet verwacht.

En nu moesten ze nog een uur flink doortuffen en ze waren in Parijs. Wanneer zou zijn vrouw het door hebben? Al vanaf de Belgische grens was hij aan het piekeren welke smoes hij kon bedenken dat hij niet thuis zou komen vanavond. Een zakenreis zou ze nooit geloven, daarvoor was zijn baan te onbeduidend. Een oude vriend tegengekomen? Waar dan? Hij had echt geen idee. Naast hem leek zij gelukkig te zijn. Haar ogen waren nog mooier dan hij kon zien in de achteruitkijkspiegel. Als hij die ogen ziet, begint hij vanzelf te glimlachen. Te grijnzen.

“Waar denk je aan? Waarom lach je?”, hij voelt een elleboog in zijn zij. Zijn vrouw kijkt hem vragend aan, de wekker is nog niet afgegaan, maar zij is al wakker. Een droom. Het was maar een droom. En zijn die bedrog of zijn die er om waar te maken? “Ik denk dat ik gedroomd heb”, zegt hij. Maar hij zegt er niet bij waarover. Dat durft hij niet. Zoveel lef heeft hij niet. Zelfs in zijn dromen denkt hij in clichés. Alsof er geen andere steden zijn dan Parijs. Te vaak naar Youp van ’t Hek geluisterd. Alsof zij zo mee zou gaan.

Zo meteen in de file maar eerst weer eens een poging doen haar te treffen..

(wordt vervolgd)

Advertenties