Tags

, , , , ,

Goal, Mei 2008

’s Ochtends, in de auto, op weg naar mijn werk, luisterde ik naar Hans Dorrestijn. Al een tijdje niet gehoord. “De tijd heelt alle wonden”, klinkt het uit de luidsprekers. Ik moet regelen dat ik vrijdag naar de begrafenis van Siem kan. De eerste keer dat wij elkaar spraken was in de kantine. Hij had pech. De loting had ons aan elkaar gekoppeld met kruisjassen. Alleen had ik dat spelletje nog nooit gespeeld. We verloren kansloos. Zijn score voor de avond was verpest. Niet veel later kwam ik via Yolanda hem natuurlijk veel vaker tegen. Gelukkig heb ik een kans gekregen die eerste kaartavond goed te maken. Ik moest invallen voor Truus, die ziek in bed lag. We hebben de hele avond gekruisjast. Het ging geweldig. We wonnen glansrijk en dronken samen een paar glazen rum.

Diezelfde middag kwam ik per ongeluk op de GFC site. Ik wilde iets anders aanklikken, maar klikte de verkeerde link. Een onbegrijpelijke kop. Freddie Cominotto overleden. Net als zo velen die dag in Goor, kon ik het niet geloven. Van de ene op de andere dag was hij er niet meer. Natuurlijk dacht ik terug aan die middag in de Hoeve. De promotie met het eerste, die emotionele middag voor bijna alle GFC-ers. Hij in de goal, ik laatste man. Op het laatst nam ik de doeltrappen voor hem. De allerlaatste hoefde niet meer. De eerste teamgenoot die ik tegenkwam, stond naast me. Later toen we een foto maakten, zat hij alleen in de dug-out. Hij vermeed de voorgrond, alsof het een schande was gevierd te worden.

In de loop der jaren hebben we het vaak over die middag gehad. Die tegengoal, waar hij er ongelukkig uitzag, hij bleef volhouden dat het geen ‘bok’ was, maar gewoon pech. Ik heb het hem niet meer kunnen bevestigen. Freddie, je had gelijk.

De dood komt soms heel dichtbij. Twee keer in een paar dagen. Kort daarvoor verloren twee elftalgenoten hun vader. Het hoort bij ouder worden, je wordt automatisch vaker geconfronteerd met het onvermijdelijke. Ook als voetbalclub. Tijdens de reünie afgelopen jaar ontbraken vele oude vrienden. De tijd staat niet stil, het leven gaat verder, vele clichés kun je er op los laten.

In het archief valt het ook op. Terwijl er de eerste jaren zo nu en dan een In Memoriam in de Goal stond, is het de laatste jaren bijna gebruikelijk dat er elke Goal wel iemand is die niet langer lid is. We hebben er al een speciale kolom voor gemaakt in onze database.

Toch blijkt de sociale samenhang van een voetbalclub juist in deze momenten. Hoe vaak zie je niet dat er bij het condoleren nog meer GFC-ers zijn dan bij een doorsnee wedstrijd van het eerste? In stilte staan we te wachten tot we de familie een hand mogen schudden. Die grote familie van GFC-ers, die laten zien dat onze club meer is dan een aantal groepjes mensen die zo nu en dan in een roodzwart shirt een balletje trappen.

Terwijl ik dit schrijf zingen de Toten Hosen dat ze ‘unsterblich’ zijn. Niemand is onsterfelijk. Maar aan de andere kant zit er ook een kern van waarheid in. Want alle GFC-ers blijven doorleven in onze herinnering. Ze staan op foto’s, in oude clubbladen, worden herinnerd tijdens gesprekken aan de zijlijn. Je bent GFC-er van je geboortefoto in de Goal tot je in Memoriam.

Maar het doet zeker pijn. De woorden van Dorrestijn gaan verder. “De tijd heelt alle wonden, maar slaat er nog veel meer.” Liever luister ik daarom naar Bram Vermeulen, zelf ook veel te vroeg overleden: “Dood ben ik pas, als jij me bent vergeten.”

Advertenties