Tags

, , , ,

Ceibadock

Op de kaart is hij al te zien, eenmaal bij het water aangekomen is hij niet te missen. De pier van La Ceiba, derde stad van Honduras, is behoorlijk lang, tevens het enige in de zee voor de kust. Het trekt ieders aandacht.

De rails liggen er nog op, de trein zou dwars door het centrum heen nog steeds het water kunnen bereiken, ware het niet dat de spoorwegen in dit land, op het boemeltje tussen Puerto Cortes en Tela na, opgeheven zijn.

Er staat zelfs nog een onderstel van een trein aan de voet van de pier, op de rails, waar kinderen volgens mij een schitterend speeltuig aan hebben. Menig dronkaard zou zich na een avondje stappen zo de zee in laten rijden, gelukkig staat er op de helft van de pier ongeveer een hek om dat te voorkomen.

Het hek is echter gewoon open aan de linkerkant en de wandeling richting het einde van de pier kan gewoon doorgaan. Deze tocht is niet eenvoudig, overal op de pier ontbreken namelijk (delen van) planken. Gaten waaronder de semi-ruige zee zichtbaar is, zijn het gevolg. Gevaarlijker zijn evenwel de planken die merkbaar, of erger nog onmerkbaar, niet sterk genoeg zijn.

La Ceiba DockEigenlijk is er maar een woord om de pier te beschrijven. Vervallen. De helft van de rails is dermate verroest dat ze al niet meer als rails betiteld kunnen worden. Van het dak over het laatste deel ontbreekt meer dan de helft, dat wat nog over is, zijn in de wind wapperende golfplaten met scherpe randen, waarvan je continu verwacht dat ze er ook niet al te lang meer te bezichtigen zijn, waardoor je eigenlijk met een oog voor je wil kijken waar je je voeten neerzet, maar met het andere oog naar boven kijkt, om te zien of je hoofd wel veilig is.

Sommige spoorwissels en elektriciteitskastjes zijn nog wel aanwezig. Hier is nooit iets opgeruimd. Overal zie je gebroken, doorgeknipte of bungelende kabels, de waterleiding werkt verrassenderwijs nog wel, maar lekt gigantisch. Of het drinkwater is richting land of rioolwater richting zee is niet te zien.

Het publiek hier bestaat uit kinderen die spelen, de verplichte frisdrankverkoper, jonge en ook wat oudere (overspelige?) stelletjes, een enkele verdwaalde toerist en vooral veel vissers die door de gaten van de pier heen hun lijntjes laten bungelen. Ze halen kleine visjes uit de zee, die ze met hun zakmes of desnoods met een muntstuk meteen schoonmaken.

Het geheel is van een onbeschrijflijke schoonheid. Je ziet hier nog de bootladingen bananen die in betere tijden werden gexebxporteerd zo voor je. De hele stad was trots op hun bananen, hun trein en hun pier. Ooit ging het hier goed, maar helaas zo goed dat corruptie een automatisme werd. De term bananenrepubliek is hier geboren. Nu is de pier het symbool van een verleden waarin het economisch een stuk beter ging, al kan er over het democratisch gehalte van de toenmalige maatschappij gediscussieerd worden.

Een symbool van vergane glorie. Gevaarlijk vervallen; in elk europees land zou de toegang verboden worden, waarschijnlijk zou de pier allang verwijderd zijn. Hier ligt hij en wordt het nog een beetje gebruikt, is er nog leven, hangen er elke dag mensen rond. Symbool van een betere tijd die ooit was, een herinnering voor de oudjes, hoop voor de jeugd, opgegroeid in armoede, maar met de pier als bewijs dat het ook beter kan gaan met het land, met de economie, met de rijkdom. Symbool voor de staat van het land Honduras eigenlijk.

(La Ceiba, Honduras, 1 april 2000)