Tags

, , , , ,

Het is kwart voor vijf. Niet een tijdstip om een discussie aan te gaan. Kwart voor vijf ’s ochtends dus. Een mooie tijd om uit de kroeg gegooid te worden. Het is echter het tijdstip waarop een moeder bedenkt dat ze het beter weet.

Haar dochter ging net op de plek zitten in de bus die wij voor onszelf hadden uitgezocht. En ik weet dat een werkweek leuk is en door velen als een verkapte vakantie wordt gezien, maar het heet toch echt ‘werkweek’ en niet ‘weekje weg met vrienden’. In mijn vakantie kies ik de bestemming zelf en neem ik geen 50 studenten mee.

En zo raar is het toch niet. Dochterlief gaat mee, maar ik organiseer. Ik tikte dus even op de ruiten en verwees haar en wat vriendinnen naar boven in de bus, waar meer dan genoeg plekken zijn voor alle studenten. Maar ik ga met mijn collega’s beneden zitten.

“We zijn toch allemaal gelijk?”, vraagt moeder zich hardop af. Ik beheers me. Ik ben ook van de gelijkheid en solidariteit, maar deze situatie is toch even iets anders. “Belachelijk”, voegt ze er duidelijk hoorbaar aan toe. Ze zoekt steun bij andere ouders. In de bus staat mijn collega die de jongedames ook naar boven verwijst. Naast me hoor ik van mijn collega dat hij ze net ook al had weggestuurd. Ze zijn dus ook nog eens hardleers.

Moeders loopt ondertussen de bus in om eens even van dichtbij polshoogte te nemen. Gelukkig bemoeien de rest van de ouders zich er niet mee. Moet ik nou echt de discussie aangaan met deze dame? Moet ik uitleggen dat we niet gelijk zijn? Toen haar dochter besloot mee te gaan, was ik al bezig met organiseren. Ik heb er al vele uren ingestoken voor we zo kunnen vertrekken, zij heeft alleen haar tas hoeven pakken. Als haar dochter ziek is of iets breekt op de piste, moet ik mee naar de dokter. Als ze iets kwijt raakt, moet ik mee naar de politie. Als het lieve meisje in de apres ski zit, ben ik aan het overleggen met de studenten die het avondprogramma moeten doen. Als zij zit te kaarten in de bar, zit ik te overleggen met de hoteleigenaar, de skischooldirecteur of met mijn collega’s. Zonder mij en mijn collega’s had dochterlief honderden euro’s meer moeten betalen voor een vergelijkbare week. Moet ik dat echt allemaal gaan zeggen?

Ik wil geen medeleven. Ik vind het geweldig om mee te gaan met een werkweek, maar het blijft werk. Dus nee, we zijn niet gelijk. Ik ben twee keer zo oud als uw dochter, mijn collega zelfs drie keer. Ik geef niet mijn stoel op aan de brutaalste om dan zelf een stoel te moeten zoeken straks.

En nee, het is kwart voor vijf, ik heb geen zin in deze discussie. Ik ben al meerdere jaren vergelijkbare ouders tegengekomen die net als u extreem weinig inlevingsvermogen hebben. Dan bent u maar kwaad op me. Eenmaal terug buiten de bus hoor ik haar klagen over een ‘chagrijnig wijf’, waarmee ze ongetwijfeld mijn collega bedoelt. Het woord ‘onverantwoord’ valt ook nog. Gelukkig krijgt ze geen bijstand. Ik draai me weg en verheug me op een leuke werkweek. Hopelijk lijkt dochter niet op moeders…

Advertenties