Tags

, , , , , , ,

Ooit werd ik gevraagd een gastcolumn te schrijven voor een site voor wegenwachters. Door allerlei redenen is het bij twee columns gebleven. Een daarvan was een bewerking van een reisverhaal dat vier jaar geleden al eens hier stond. Nu dus de columnversie.

 

Nieuw Zeeland

Ik heb drie dagen een auto gehuurd. Een aanslag op mijn reisbudget, maar het geeft je de vrijheid om precies dat te zien wat je nog wil zien. Op de derde en laatste dag reed ik op de presidential highway. Vroeger was dit gewoon de weg van Gore naar Clinton, maar sinds in Amerika twee politici met die namen het land overnamen, is de naam van deze weg veranderd. Ik had er al heel wat kilometers opzitten, met een behoorlijke gemiddelde snelheid, dus ik had door dat het tijd werd voor een pauze. Zoals het altijd gaat, is er geen parkeerplaats wanneer je besluit om een pauze te houden. De hele dag door kom je overal parkeerplaatsen tegen op de mooiste plekken en hier zie ik een bordje en sla af en eindig op een zijweg waar de beloofde parkeerplaats nergens te vinden is.

Uiteindelijk zie ik, weer 110 rijdend op de highway, aan de overkant van de weg twee boerenweggetjes, parallel aan de grote weg, waar ik eventjes rustig kan stoppen, een boterham eten en mijn blaas ontlasten. Ik spring op de rem, heb mazzel dat er niemand achter me rijdt, noch dat er iemand uit de andere richting komt en steek de weg over. Het pad is vrij smal en mijn voorwiel eigenlijk iets te ver, maar ik pak een hoekje gras mee en ben van de weg. Helaas had ik niet door dat er onder dat gras blijkbaar een sloot zat. Voordat ik zelf op de rem trap, komt de auto met een schok tot stilstand. Ik probeer om in de achteruit weg te rijden, maar krijg al snel door dat mijn vermoeden waarheid blijkt; ik zit vast. Mijn linkervoorwiel zit in de sloot. Ik stap uit en zie dat mijn rechterachterwiel bijna een halve meter boven de grond zweeft.

Het druppelt lichtelijk, om alle ellende tegelijk te laten komen en ik schreeuw een aantal niet zo nette woorden. Ik was op weg naar de zuidkust om pinguïns te kijken, maar voorlopig kan ik helemaal niets. Moet ik de verhuurder bellen, de wegenwacht of een boer met een tractor zoeken? Dan rijdt er een auto achter me langs het landweggetje op. De auto stopt, ik kijk op en zie een familie van vier. Vader, moeder, zoon en dochter. Op het eerste oog zien ze eruit alsof ze wonen in de bouwval die aan het eind van het weiland te zien is. Vader rijdt en ziet er uit als een Amerikaanse redneck. Zo’n type dat tijdens de Jerry Springer show niet hoeft te worden weggebliept, omdat hij zo’n sterk accent heeft dat niemand een idee heeft wat hij eigenlijk vertelt. Moeder zit aan de raamkant en draait haar raampje iets naar beneden. Ma Flodder is de eerste gedachte die me te binnen schiet, al is ze eigenlijk iets angstaanjagender. Ze kijkt ietwat meewarig naar mijn auto en ik vraag richting de auto, niet zo zeer naar haar specifiek, als wel naar wie dan ook wil antwoorden, meer om wat te zeggen, om mijn verhaal kwijt te kunnen. “Zou ik een boer om een tractor moeten vragen?”

Pa Redneck antwoordt. “Mwoah, denk het niet.” Tenminste ik denk dat hij dat zegt, want het vermoeden dat hij zo goed als onverstaanbaar is, blijkt niet geheel uit de lucht gegrepen. De zoon is ondertussen uit de auto gestapt. Ik schat in dat hij net de leeftijd heeft om auto te mogen rijden, alle beharing die ooit in zijn gezicht groeide, heeft hij laten zitten en op zijn kin is iets van een goatee, zo’n baardje dat begin jaren negentig ineens populair werd, herkenbaar. Hij heeft laarzen aan en springt in de droge sloot, alsof hij hele dagen niets anders doet dan in droge sloten staan. “Drukken lukt wel”, roept hij richting zijn familie, waar Pa nu ook uitstapt. Ik ga naast Zoon Redneck staan, kijk semi-geleerd naar de voorkant van de auto die netjes met zijn neus richting bodem van de sloot wijst, maar heb geen idee wat er moet gebeuren.

“Zet hem maar in zijn achteruit”, mompelt Pa in mijn richting. Ik loop om de auto heen en open de zijdeur. Tegen de tijd dat ik zit, staan ze alle vier al in de sloot, klaar om te helpen. Dochter heeft haar beide armen helemaal vol met insectenbeten. Tenminste zo ziet het er uit, jeugdpuistjes alleen op de armen lijkt me sterk. Ze is iets jonger dan haar grote broer, iets knapper dan haar moeder op haar leeftijd en ziet eruit alsof ze in haar klas iemand is waar rekening mee gehouden moet worden. Niet vanwege haar intellectuele capaciteiten, maar wel omdat de jongens van haar leeftijd allemaal zeven kleuren stront schijten zodra ze binnen een straal van tien meter van haar komen. Zo’n jongedame die in het fietsenhok van de school de baas is, terwijl haar moeder haar het advies geeft dat ze van d’r af moet bijten mocht dat nodig zijn. Dat advies was overbodig, ze kan zichzelf redden.

Ik start de auto en zet het ding in zijn achteruit en alle vier tegelijk tillen ze de voorkant op en duwen het ding terug. Om niet helemaal lui over te komen zet ik ook een voet naast de auto, ik had de deur nog openstaan en trek iets aan de deur, alsof dat helpt. Zonder enig probleem beweegt de auto zich een paar meter naar achteren en zie ik de sloot voor me, zoals ik die de eerste keer graag had willen zien, zodat ik dit allemaal had kunnen vermijden.

Ik stap uit de auto en loop naar de voorkant om te zien of er iets beschadigd is. De hele familie is ondertussen al weer in hun eigen auto, op het punt van vertrek. “Niets aan de hand, Japanse auto’s zijn sterk genoeg”, vertelt Pa me nog, terwijl hij de auto omdraait. Ik schreeuw nog een bedankje in hun richting als ze al weer richting de grote weg terugrijden. Pas nu dringt het tot me door dat ze hier dus niet wonen. “Zagen jullie me staan of zo?” vraag ik aan het nog geopende raam. “We zagen dat die auto niet helemaal goed geparkeerd stond”, waren de laatste woorden van Ma, met veel gevoel voor understatement, terwijl ze de weg opdraaiden. Ik schreeuw nog een keer een “heel erg bedankt” naar de auto die nu optrekt en zwaai ze na, terwijl ik in mijn gezichtsuitdrukking probeer duidelijk te maken dat ik echt heel blij was met wat ze voor me deden, maar ze zijn alweer vertrokken. Geen claxon, geen groet, niemand zwaait, niemand kijkt achterom. Als in een van die magisch surrealistische verhalen, waar je je afvraagt of het nu eigenlijk allemaal gebeurd is, of degene die je zag echt bestaat. Net zo snel als ze ineens naast me stonden, verdwenen ze nu om de bocht, terwijl ik weer in mijn auto stop en deze keer de bocht zonder problemen haal.

Ik heb dus geen wegenwacht of boer nodig. En ik kan nog naar de pinguïns.