Tags

, , , , , ,

Het armste land waar ik ben geweest moet Haiti zijn. Vaak afgeraden, slechts door een enkeling aangeraden. Ik was te nieuwsgierig om het links te laten liggen. Nu ik voor de vijfde keer op het eiland was, moest ik toch echt een keer gaan. Ik kende de Dominicaanse Republiek al behoorlijk goed, ik had tijd genoeg, geen enkele reden om lui te blijven hangen in Boca Chica.

Mijn rugzak in Boca Chica bij vrienden achtergelaten, een klein rugzakje mee, een paar dagen naar Port au Prince. Al bij de grens opgelicht, enorme puinhoop in de hoofdstad, maar uiteindelijk toch ook wel weer een mooie stad. Bijzonder in ieder geval. In 5 dagen slechts een handvol blanken tegengekomen, geen toerist te zien, in Haiti kun je je nog echt een buitenstaander voelen.

Daarna de gok genomen om alleen met de openbare bus het hele land te doorkruizen. Een zware reis, zeker gezien de gebeurtenissen onderweg. Vandaar het verhaal hieronder, lang voor een weblog, maar geen woord verzonnen, een bijzondere dag.

Port au Prince naar Cap Haitien

Zes uur op. Het is al licht. Ontbijt en nog voor zeven uur vertrek. Eerst met een ‘publique’, een taxi met een rood lintje aan de spiegel, daardoor goed herkenbaar, waar meerdere klanten tegelijk in plaats kunnen nemen. Dan achterop de Taptap. De leukste vorm van openbaar vervoer in de hoofdstad. Een pickuptruck, omgebouwd voor personenvervoer, fel gekleurd, velerlei verschillende spreuken en portretten sieren de zij- en achterkant. Het verkeer zit zelfs op dit tijdstip al zo goed als vast, terwijl her en der de eerste verkopers hun waren aan het uitstallen zijn.

Binnen een uur bereik ik het busstation. Station au Cap. De reis die ik ga maken is lang, ik wil graag vroeg vertrekken. Voor acht uur zit ik al klaar in de bus, bijna twee uur later zijn we eindelijk onderweg. In de tussentijd veranderde ik van een geïnteresseerde toeschouwer, die glimlachend de chaos om zich heen observeert in een geïrriteerde en onmachtige reiziger die moet wachten tot de reis eindelijk begint.

In de bus zelf is het geen moment rustig, mensen stappen in en uit, het is niet te volgen wat er allemaal gebeurt. Zeker acht verschillende broodverkopers komen allemaal minstens vijf keer de bus in. Reizigers gaan zelf op zoek op de geïmproviseerde markt aan de rand van het tankstation waar de bussen allemaal wachten op vertrek. Zeker drie keer wordt de bus verplaatst, door drie verschillende chauffeurs ook. De kaartjesverkoper claxonneert elke paar minuten, zonder dat daar enige aanleiding voor lijkt. Een verkoper van opwindende literatuur zoals ‘Spaans voor beginners’, ‘125 liefdesbrieven’ en ‘Le secretaire universelle’ weet de laatste titel te slijten aan een jongedame op de bank naast mij.

Het blijkt dat er op de banken, waar ooit drie Amerikaanse schoolkinderen zaten, drie volwassenen horen te zitten. Kinderen tellen dan niet mee en we gaan pas als alle plekken uitverkocht zijn. Dat verklaart ook de elke keer weer oplaaiende ruzie op het plein voor de bus, waar helpers nietsvermoedende reizigers naar hun bus proberen te lokken, terwijl er zeker een dozijn bussen staat te wachten. De concurrentie blijkt groot.

Naast me zit een moeder die erg breed is, haar zoontje zat eerst bij mij op schoot – vader plantte hem daar voordat hij zelf weer vertrok – maar zit nu bij de potentiële secretaresse. Er is wel erg weinig ruimte voor een derde persoon naast ons, ik zit al niet gemakkelijk, al zit ik dan wel op de voorste rij, het uitzicht zal onderweg goed zijn.

Rond half tien komt er eindelijk langzaam beweging in de bus, we zijn bijna vol. We gaan richting het punt waar we eerst een tank benzine halen voor de reis. Hier komt de ‘echte’ chauffeur pas op de bus, de laatste plaatsen (een bijzitje naast de chauffeur, de lege plek op onze bank en een zitje op het trapje) worden gevuld en we kunnen gaan. Nog een laatste bedelaarster en een paar verkopers uit de bus gooien, een paar keer claxonneren en we zijn op weg.

De reis is geen pretje. De wegen zijn op te delen in drie soorten. Asfalt, waarop doorgereden kan worden, maar dat komt slechts sporadisch voor. Meestal zijn het stukken asfalt om de gaten heen, waardoor we al heen en weer slingerend vooruitgang boeken. Tenslotte zijn er nog zand/gruispaden waar we gewoon rechtuit karren, daarin zitten zoveel gaten dat slingeren geen zin heeft, ontwijken is onmogelijk.

Mijn achterwerk kan ongeveer drie minuten in dezelfde positie volhouden, zijwaarts is er geen beweging meer mogelijk, dus ga ik elke keer maar weer een paar centimeter voor- of achteruit. Elke kuil in de weg schiet door me heen. Ik geloof niet dat ik dit nog zeven uur kan doorstaan.

De chauffeur is een oude man. Bril met goede glazen, een ouderwetse pet op zijn hoofd en zo nu en dan rookt hij een sigaretje. Onverstoorbaar loodst hij de bus langs alle gaten. De enige vorm van emotie die hij toont, is zo nu en dan zijn hand van het stuur de lucht inzwaaiend, alsof hij zegt “dat heb ik weer’, als hij een kuil echt niet meer kan ontwijken. Het was waarschijnlijk een nieuwe kuil. Eentje die hij nog niet eerder was tegengekomen op een van zijn 6148 eerdere ritjes op deze route.

Het is erg warm en ook al is alles extreem oncomfortabel, ik doezel toch even weg, totdat we stoppen voor lunch. We zijn zo’n drie uur onderweg nu en hebben slechts een korte plaspauze gehad. Nu worden er borden met rijst en bonen, gebraden kip en bakbananen de bus ingebracht, maar vooral veel drinken. Ik ben vooral blij dat ik even de benen kan strekken.

Na de korte stop realiseer ik me dat het eigenlijk een hele mooie reis is die ik maak. Mooie kustwegen en heuvels worden afgelost door kleine dorpjes, rivieren waar de was wordt gedaan en loslopende koeien, geiten, paarden, zwijnen en ezels. En nu gaan we een berg op die in de Tour de France niet zou misstaan. Kleine jochies rennen achter de bus aan en springen achter op, klimmen dan naar het dak. Ze krijgen zo een gratis lift. De uitzichten zijn schitterend, de weg is hier zelfs redelijk goed. Luid claxonnerend nemen we elke haarspeldbocht. Ik geniet, weet weer waarom ik besloot deze reis te maken.

Vlak onder de top van de berg lijkt het even echt op de Tour. Een grote groep staat op de top te wachten tot er volk nadert. Het blijkt natuurlijk een van de duizenden markten te zijn die elke dag overal in dit land te vinden zijn. Nog geen drie procent van de bevolking staat geregistreerd als werkende, de rest overleeft op een andere manier, de meerderheid door op kleine of grote schaal te handelen.

En dan gaat er plotseling iets mis. Bij een inhaalmanoeuvre heuvelopwaarts schakelt de chauffeur verkeerd en de motor slaat af. De bus is niet meer aan de praat te krijgen. In de afdaling van de vorige heuvel zag ik al vele achtergelaten voertuigen staan, blijkbaar zijn wij nu aan de beurt. Meerdere technici (geen geld betekent dat mensen inventief worden) buigen zich over het probleem, de bus stroomt langzaam leeg.

De snelle beslissers onder ons houden passerende taptaps aan en vertrekken, velen hangen rond bij de bus. Ik word nu ook aangesproken. Meestal begint de zin met ‘Blan’ (Blanke) en volgt er een opmerking in het Creools daarna. Een enkeling doet een poging in het Frans of Engels.

Haïtianen zijn niet echt open. In het buurland de Dominicaanse Republiek was ik nu al minstens zes keer uitgehoord over mijn reis, mijn familie, mijn vriendin, mijn talenkennis en mijn mening over hun land. Hier heb ik nog geen vier zinnen gesproken en zijn we al zes uur gezamenlijk onderweg.

Uiteindelijk wordt een vrachtwagen aangehouden. De laadbak gaat open en een stormloop ontstaat. Ik sta nog bij de bus te wachten, heb geen zin in het gedrang. Met nog een paar anderen wacht ik, al weten we eerlijk gezegd niet waarop. Een auto met lege plekken komt aan, wordt tegengehouden en weer vertrekken een aantal passagiers noordwaarts. Het wordt rustig hier. Dan roept men mij vanuit de vrachtwagen. “Blan, viens blan, monte, viens avec nous”. Ik besluit om toch ook maar de vrachtwagen te nemen. Ik klim aan de buitenkant, hout, naar boven en zodra ik op de bovenste rand ben, begint de wagen al te rijden. Ik reis weer verder.

“Zo worden echte reisverhalen geschreven”, schiet het door mijn hoofd. Al te veel nadenken kan ik niet, want ik moet me goed vasthouden, zeker in de bochten, ik heb geen zin om achterover het ravijn in te vallen, maar ik heb tenminste wat contact. Iedereen lacht om de onhandige blanke die met een bang gezicht zich probeert vast te houden aan een dwarsbalk, terwijl hij met zijn dikke kont op vijf meter boven het asfalt buiten de vrachtwagen hangt.

Anderhalf uur later, een foto en meerdere verbaasde uitroepen van overige weggebruikers, komen we aan in Cap Haïtien, het uiteindelijke reisdoel. Gewillig laat ik me door een gids naar een goedkoop hotel brengen, de fooi die ik hem daardoor verplicht ben te betalen, is hem van harte gegund. Ik heb geen zin meer om mensen af te wimpelen. Eten sla ik over, ik wil alleen maar wat water over mijn hoofd en dan een vroege nacht.

(Cap Haïtien, Haïti, 6 januari 2000)

View Gerbie on tour in a larger map

Advertenties