Tags

, , , ,

Eigenlijk is het seizoen allang voorbij, op het Estse eiland Saareema. Maar de herfst, die er in alle hevigheid heeft toegeslagen, lijkt het passende jaargetijde voor een bezoek aan het eiland. Ik had er nog nooit van gehoord, moet ik toegeven. Toch is het een eiland van meer dan honderd kilometer doorsnee. Net voor de kust van Estland is het dunbevolkt, vooral veel bossen en weilanden. En die bossen zorgen voor de kleur op het eiland.

Bijna een week zit ik er. Gelukkig is het programma vrij druk, anders had ik me er al snel verveeld. Toch is Kuressaare een leuk plaatsje. De ruim 15.000 inwoners vormen meer dan de helft van de eilandbevolking. Het Ests is niet te volgen voor een buitenstaander. Het lijkt op Fins, ook een taal die voor buitenlanders bijna onmogelijk te leren is. Wanneer we op een avond de jongedame achter de bar vragen hoe je een toost uitbrengt in het Ests, komt ze met het woord “Terviseks”. We proosten dus op zijn Ests, maar vragen ons ondertussen af of het onschuldig ogend meisje niet een perverse grap met ons heeft uitgehaald. Zoals we in Oostenrijk menig Engelsman op een lokale schoonheid afstuurden met het zinnetje “Ich heisse Brian, wie heiss bist du?”. Het bleek niet zo te zijn, een dag later zien we de term in een foldertje staan.

Het regent er regelmatig, maar niet echt hard. Miezerig weer eigenlijk. Maar Kuressaare wordt er mooier van. Alsof herfst de natuurlijke staat van het plaatsje is. Rondlopend zie je de invloed van alle volken die ooit het eiland eigen noemde. Zweden, Denen, Duitsers, maar vooral de directe buren Finland en Rusland. Estland kent een geschiedenis van bezettingen. Pas in 1917 werd het voor het eerst onafhankelijk. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, vielen Sovjets het land binnen, om het te beschermen tegen de Duitsers. Maar de Duitsers kwamen toch. Door sommigen werd het als een bevrijding gezien, leuk detail in de geschiedenis van 1940. Het duurde niet lang. Al snel werden de Duitsers het land weer uitgedreven door de Sovjets. Op Saareema hielden ze het langst stand, maar een paar dagen later was de Duitse heerschappij ook hier over. De Sovjets bleven echter.

En ze bleven zeker vijftig jaar. Rondlopend in het kleine stadje zie je de verschillen. De oude huizenblokken, Sovjet stijl, verlaten, vervallen, alsof het niet zestien jaar geleden was dat Estland eindelijk weer onafhankelijk werd, maar tientallen jaren geleden. Daartussen staan de houten huizen, alsof je in Scandinavië loopt. Mooie houten huizen vaak, geel, lichtblauw, lichtgroen, passend bij de omgeving van gele en bruine bladeren, bij de bomen die om het huis staand angstvallig hun laatste bladeren proberen aan zich te binden.

Het prachtige kasteel, pronkstuk van de stad, staat vlak bij de zee, alsof net als in de middeleeuwen van hier uit de rest van het eiland geregeerd wordt. Het voetbalstadion is net zo vervallen als de Sovjet huizenblokken, al schijnt er nog wel gevoetbald te worden. Het hotel aan de rand van het veld past niet bij de status van de club, een bescheiden tweedeklasser waar bij thuiswedstrijden nog geen honderd man komt kijken.

Na een paar dagen rond hobbelen in het stadje heb je het echt wel gezien. In de zomer zou ik me flink vervelen hier. Nu in de herfst heeft Kuressaare wat meer kleur. En hoe aardig de bevolking ook is, de uitnodiging om nog eens terug te komen kon ik wel eens negeren. Ik heb me hier vermaakt, maar terugkeren is te veel van het goede.

Advertenties