Tags

, , , , ,

Goal, Oktober 2002

Onderweg op reis blijf ik mijn ogen openhouden voorvoetbal. Het is nooit het doel, maar indien mogelijk pik ik een wedstrijdje mee. Ik lees de lokale kranten, vooral op vrijdag en zaterdag om te zien waar er gespeeld wordt, op een pas verkregen plattegrond van een nieuwe stad zoek ik waar het stadion is en ik blijf net even iets langer staan bij bars, restaurants en elektronicazaken waar voetbal op tv is. Vaak is er wel een lokale voetbalkenner die me op de hoogte brengt van de laatste voetbalberichten.

Minstens zo interessant zijn de partijtjes in parken en straten, net als officiële lokale wedstrijden op een lager niveau. Vooral in parken zie je vele jochies, maar ook nog genoeg volwassenen, die zich even Rivaldo, Beckham, Wanchope of Bergkamp voelen. Zo’n partijtje waar iedereen kan meespelen, totdat het veld dermate vol is dat de eigen medespelers niet meer bekend zijn. Niet dat het iets uitmaakt, de meeste spelers spelen toch volgens de tactiek ‘pingelen totdat ze de bal kwijt zijn’, meestal aan een tegenstander, een enkele keer omdat er gescoord is.

Op lange reisdagen zou ik graag fotograaf zijn, of op zijn minst over een goede camera te beschikken. Zittend aan het raampje van een overvolle oude Amerikaanse schoolbus die in heel midden Amerika als openbaar vervoer worden gebruikt, kwam ik langs menig voetbalveld dat een foto waard was.

Kleine veldjes in grote steden voor de lokale jeugd, grote velden op het platteland waar ruimte genoeg is. Velden met gras, vele velden ook slechts met zand. Een enkele keer zelfs zand met stenen er op. Soms met een doel van de officiële afmetingen, maar minstens zo vaak een paar houten palen verbonden door een doellat gemaakt van een boom die niet helemaal recht groeide. In het midden moet de keeper oppassen zijn hoofd niet te stoten, om bij de kruising te komen moet je de sprongkracht van een behoorlijke basketbalspeler hebben.

In meerdere dorpen is het voetbalveld multifunctioneel. Als er ook honkballers spelen, is de werpersheuvel voor de buitenspeler een extra obstakel op weg naar de achterlijn. Vooral in de Dominicaanse Republiek, Nicaragua, Panama en Venezuela is die sport belangrijker. In andere dorpen maakt het vee dankbaar gebruik van de mogelijkheid wat gras te eten en de ontlasting achter te laten. Ik heb velden gezien waar een fiets- en wandelpad dwars overheen liep, een zandstrook midden in het gras. Een keer deed het veld ook dienst als landingsstrip.

In bergachtige gebieden is het soms niet eenvoudig een vlak stuk land te vinden. In de buurt van de top van de vulkaan Pacaya in Guatemala lag zo’n veld. Weliswaar vlak, maar een heel zware rit om er te komen. Ik denk dat de thuisclub er ongeslagen is. Het laatste buurtschap voor La Union in Honduras kon geen vlak stuk vinden. Het veld tegen de heuvel leek me dermate stijl dat een 0-8 ruststand geen enkel probleem is voor de thuisclub, die de tweede helft heuvel af speelt en zo elke wedstrijd nog een draai kan geven.

In een dorp zo’n twintig kilometer van Trujillo, ook in Honduras, is het veld dermate groot dat internationaal voetbal zeker op bezwaren zal stuiten van de voetbalbonden. Hoe de bezoekers omgaan met het veld van zeker 125 bij 150 meter (schatting gemaakt vanuit de laadbak van een pick-up truck, snelheid zo’n 45 km/u) is niet bekend. Een goede dribbelaar moet op dat veld zonder problemen kunnen uitblinken.

Zo heb ik, in alle landen, ondertussen al tientallen velden gezien die fotowaardig zijn. Misschien is het ook maar goed dat ik geen fotograaf ben. Wat moet je met al die foto’s? De herinnering is eigenlijk netzo mooi. Het grote veld in Honduras bijvoorbeeld groeit in mijn geheugen gewoon door. Ook mooi.

Advertenties