Tags

, , ,

Goal. September 2002

“Witte brood, bruine brood, waaro, daaro, hiero”

Het was niet de meest originele tekst, maar het bleef welhangen. Meestal zongen we het in de kleedkamer of kantine. Als het onderwerp het zelf niet kon horen. Maar aan het eind van het seizoen, bij de barbecue op de laatste middag van het reisje, waren de remmingen verdwenen. De hoeveelheid genuttigde alcohol zal daar ongetwijfeld iets mee te maken hebben gehad. Hij hoorde het liedje waarschijnlijk voor het eerst en moest er smakelijk om lachen. Zoals wij vlak daarvoor in de lach schoten toen zijn vrouw “Burggraaf is me worst al gaar?” schreeuwde, richting de barbecue, waar onze keeper tijdelijk tot chef-kok benoemd was. We zaten in A1, ons puberaal gevoel voor humor had niet veel voeding nodig om ons tot lachen te brengen.

Het accent raakte hij nooit kwijt, maar verder voelde hij zich geloof ik wel behoorlijk thuis in Goor en bij G.F.C. Jarenlang was hij vaste supporter van A1. Eerst natuurlijk omdat zijn zoon er de keeper van was, maar nog lang nadat Rene naar de senioren was verdwenen, reed hij nog mee naar uitwedstrijden. Vele ouders zullen hem dankbaar geweest zijn, dat ze niet met vier slungels naar verre oorden hoefden te rijden op zaterdagmiddag. De geur van brood hing nog een beetje in de blauwe stationwagen. Elk seizoen werd de belangrijkste wedstrijd van het seizoen begonnen met een bespreking bij Hens thuis, de broodjes bij de soep van Dini, waren natuurlijk van Toonen. Dat sprak vanzelf.

Velen konden hem goed imiteren. Zijn uitspraak “Niet omdat het m’n zoon is, maar onze Rene hep vanochtend weer een berepartij gekeept in het tweede”, werd meerdere keren nagedaan langs de kant van het eerste ’s middags. Later hing Rene de handschoenen op en werd voetballer, de uitspraak hoefde slechts iets aangepast te worden. In die tijd moet hij toch regelmatig stiekem gehoopt hebben dat zijn vader zich eens stil hield. Toen Rene het eerste haalde als laatste man, was de publieke opinie niet altijd onverdeeld positief, de uitspraken van zijn vader werkten eerder in zijn nadeel. Dat Rene op het moment dat hij daar stond gewoon de beste beschikbare laatste man was, werd helaas wel eens vergeten.

Maar een hekel had niemand aan hem. Want hij werd toch gezien als een echte G.F.C. supporter, die in het weekend veel tijd aan de rand van het veld doorbracht. Iemand die een steentje bijdroeg aan het clubleven. Rene had een trouwe supporter. Niet een voetbalpapa die leiders tot wanhoop bracht door luid schreeuwend alleen zijn zoon van aanwijzingen te voorzien, maar gewoon een trouwe fan, die week in, week uit, stond te kijken. Weer of geen weer. Die zijn zoon, en met hem het hele team, door dik en dun onvoorwaardelijk steunde. Slechts weinig spelers zullen zo’n goede fan hebben of hebben gehad. Maar ook de teams waar Rene niet in speelde, kregen zijn support.

Hij zal mij ongetwijfeld wel eens vervloekt hebben, wanneer ik de concurrentiestrijd met Rene won en laatste man speelde in het eerste. Tegenover mij heeft hij dat nooit laten blijken. En ik was het met hem eens dat Rene in het eerste hoorde, als ik daar niet zelf stond. En met Rene kon ik goed voetballen, die enkele keer dat we samen in een team speelden.

Ik weet zeker dat Rene nog wel eens naar de kant kijkt, op een trieste zondagochtend. Lochem 4 uit of zo, op een bijveld, zonder enige supporters. Medespelers die nog een walm van de zaterdagavond voor zich uitduwen, een ietwat miezerige motregen, een partijdige scheidsrechter, 1-0 achter. En dat hij zich dan realiseert dat zijn vader niet aan de kant staat. Dat die daar nooit meer zal staan, terwijl hij daar altijd stond. Die middag speelt het eerste weer eens een beroerde wedstrijd. Dat zou toch het moment moeten zijn om die stem nog een keer te horen zeggen: “Niet omdat het mijn zoon is… “