Tags

, , ,

Johan 4

Alles had hij tegen. In niets leek hij op een voetballer. Op een druilerige zaterdagochtend speelde hij linksbuiten bij die blauwen. Zijn team deed leuk mee op het Zwaluwen toernooi, hij stond wel in het veld, maar kon niet echt een bijdrage leveren.

Hij is zo’n speler die als laatste gekozen wordt voor een partijtje. Iemand waarvan elke tegenstander hoopt dat het zijn directe opponent van de dag wordt. Iemand die zijn medespelers tot wanhoop drijft, terwijl de leiders hun best doen om hem er ook bij te betrekken. Wel stellen ze hem op als linksbuiten, want dan loopt hij tenminste niet in de weg. Het resultaat is namelijk belangrijk, in de ogen van de leiders.

Niet alleen zijn rode haren maken hem tot mikpunt, ook het brilletje helpt niet echt. Dat hij daarnaast al zo veel overgewicht heeft dat echt hard lopen een onmogelijkheid wordt, maakt het verhaal alleen maar triester. De tegenstanders zijn er niet uit of ze hem ‘dikke rooie’ of ‘rode dikzak’ noemen. Maar iedereen weet over wie ze het hebben.

Toch begint ook hij elke wedstrijd weer vol goede moed. Hoopt hij dat hij een goede wedstrijd zal spelen. Dat zijn medespelers hem bijna nooit de bal geven is jammer, maar hij zal het ze eens laten zien. Met de scheidsrechter kun je een woordje wisselen, een diepe bal laat je lopen. Die haal je toch nooit. Als de verdediging fout op fout stapelt, waar weer een tegendoelpunt uitkomt, schudt hij nog eens het hoofd. De spits naast hem kankert op de nietsnutten achterin. Hij niet. Hij weet dat hij zelf het mikpunt wordt als hij het lef zou hebben ze te bekritiseren. Hij trapt af samen met die spits. Heeft hij toch nog even balcontact.

Zou hij nog steeds dromen over voetbal? En wat droomt hij dan? Een vol stadion dat hem toezingt nadat hij de winnende treffer scoorde in die heel belangrijke wedstrijd. Iedere jonge voetballer droomt daar toch van. Waarom zou hij dat niet mogen doen? Omdat het toch niet zal lukken… Daarin staat hij niet alleen. 99 van de 100 voetballers moeten vroeg of laat erkennen dat ze het niet zullen halen. De een eerder dan de ander, maar slechts een enkeling haalt de top. En als hij straks groeit, in de pubertijd, dan zou hij best nog wel eens een atletenlichaam kunnen krijgen. En misschien is het Nederlands elftal wel heel ver weg, waarschijnlijk zal hij zelfs nooit prof worden. Maar het eerste moet toch mogelijk zijn. Hij ziet dat eerste nu ook wel eens. Nou daar lopen ook een stel klungels in hoor. Daar zal hij later niet tussen misstaan.

Gelaten hoort hij de scheldkanonnade weer eens op hem afkomen. Weer een bal verspeeld. Hij moest te snel draaien, erg wendbaar is hij natuurlijk niet. De tegenstander scoort weer. “Ach, straks moeten we nog een wedstrijd”, vertelt hij de scheids opgewekt. Hij mag weer aftrappen. Na de aftrap vertrekt hij weer naar zijn linkerkant, waar de rechtsback niet eens meer moeite doet hem te dekken. Het is bijna zaterdagmiddag. De regen is opgehouden, straks nog een wedstrijd. Misschien gaat het dan beter.

Ik hoop dat hij nog lang plezier heeft in het spelletje. Dat hij blijft dromen over volle stadions en heldendaden op die groene mat. Op de voorpagina van de krant. Al is hij dan een dik jongetje met een bril en rode haren.

Advertenties