Tags

, , , , , ,

Embassy

Het is eerste kerstdag en alles, maar dan ook echt alles, is gesloten. Ik loop rond door Canberra, de bedachte hoofdstad van Australië. Ik heb in het park rond het Parlement house de borden gelezen die het een en ander vertellen over het ontstaan van de stad, het gebouw zelf en de dingen eromheen en ben net langs het oude Parlement house gelopen, dat ruim een decennium met pensioen mocht.

En dan zie ik tegenover dat oude gebouw een oud tuinschuurtje staan. Tenminste zo ziet het eruit. Aan de graffiti erop en de borden ernaast herken ik het als de Aboriginal embassy. Iemand zet een bord dat door de wind was omgeblazen weer rechtop en loopt naar een soort tentenkamp vlak erachter. Ik ben, natuurlijk, nieuwsgierig en loop naar de ambassade. Er zijn twee gebouwtjes.

Het eerste is klein, zit dicht en heeft een zonnepaneel boven op het dak, waarvandaan een elektriciteitskabel loopt naar het kamp, zo’n vijftig meter verderop. Op de zijkant staan politieke kreten, de grootste gaat over Redfern, een stadsdeel in Sydney, waar relatief veel Aboriginals wonen. Wat er daar precies ooit is fout gegaan is me onbekend, maar het is blijkbaar geen hoogtepunt in de Australische geschiedenis. Ik heb wel eens door Redfern gelopen en het is niet een van de mooiste suburbs van Sydney en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Aan de rand is een groot park, waar ook een soort tentenkamp is, met soortgelijke borden, Aboriginal vlaggen en een ambassade. Ik was er al eens naar toe gelopen, maar vond de sfeer er nu niet bepaald uitnodigend. Men protesteert er tegen de behandeling van de Aboriginals in Australië door de jaren heen, maar wat ze concreet doen, behalve in een park slapen in tenten en oude auto’s wordt niet echt duidelijk. Ik deed wel een poging wat dichterbij te komen, liep er vlak langs heen, met de intentie wat informatie te krijgen van een van de protesteerders, maar behalve een verzoek voor wat kleingeld van een van de aboriginals ben ik niet gekomen.

Het tweede heeft de titel ambassade gekregen. De deur staat open, maar er is niemand binnen. Ik wacht in de deuropening op iemand. De man die het bord rechtop zette? Een aboriginal woordvoerder? Ik weet het eigenlijk niet, maar besluit naar een paar minuten toch maar naar binnen te gaan. Blijkbaar is dat de bedoeling. De binnenkant van het koekblik, zo’n 5 bij 3 meter groot, hangt helemaal vol met posters, brieven, krantenartikelen, foto’s, kaarten en ander actiemateriaal. Zelfs het plafond is niet zichtbaar. Ik ben vooral geïnteresseerd in de geschiedenis van de aboriginals in het algemeen en deze ambassade in het bijzonder en wordt op mijn wenken bediend door allerlei krantenartikelen aan de muur over dit gebouwtje. Aandachtig ben ik aan het lezen, als ik achter me wat geluid hoor. Het blijkt een Aziatische toerist te zijn, die binnenkomt met een camera en aan mij vraagt of hij die mag gebruiken. Ik vertel hem dat ik net als hem een buitenlander ben, maar dat ik aanneem dat het geen probleem is.

Nog voor ik het tweede artikel aan de muur helemaal heb kunnen lezen is er een hele buslading Chinezen binnengeweest en weer vertrokken. Velen hebben alleen even gekeken, anderen hebben nog een foto gemaakt, een enkeling ging met een videocamera even rond. Het gastenboek werd fanatiek gesigneerd, ook al was men slechts een paar seconden binnen en is de ambassade niet meer dan een van de vele attracties die ze in het drukke programma moeten stoppen. Terwijl ik met een volgend artikel bezig ben komt er een Turkse familie binnen. De vader gebruikt de gelegenheid om op het oude bankstel neer te ploffen en een sigaret te roken, terwijl het kleinste kind ongehinderd overal aan mag zitten. De oudste dochter en moeder kijken even rond, maar echte interesse tonen ze ook niet. Als ze zijn vertrokken zie ik dat ze net als de Chinezen hun bezoek hebben vereeuwigd met een handtekening. Ik lees nu ook dat het geen gastenboek is, maar een petitie namens de aboriginals voor de regering, die vraagt om rechten voor de oorspronkelijke bevolking en erkenning van de fouten die de Australiërs in het verleden gemaakt hebben. Dit staat in een verhaaltje, in vrij kleine letters, bovenaan het papier, maar niemand was hier lang genoeg binnen om dat allemaal te lezen. Desondanks is het papier vandaag al half vol, op de rustigste dag van het jaar. Op deze manier moeten ze vele handtekeningen kunnen krijgen.

Ik lees een hoop interessante feiten over de aboriginals, maar vooral over de behandeling die ze over de jaren hebben gekregen. Over hoe de Zuid-Afrikaanse politie aan het begin van de apartheid hier stage kwam lopen, om te zien hoe je met zwarten omging. Over het feit dat de levensverwachting van de aboriginals gemiddeld zeker zo’n 20 jaar korter is dan van de gemiddelde Australiër. Over moorden en zelfmoorden in politiecellen, jaar in, jaar uit. En over het ontstaan van de ambassade in 1972. Over de worsteling die de eerste jaren was, toen de politie de ambassade meerdere malen sloot, tenten afbrak of zelfs vernielde, over de massale protesten in de jaren zeventig. Hoe het tentenkamp en de ambassade over de jaren heen steeds bekender werd en sinds het begin van de jaren negentig erkend werd door de Australische equivalent van monumentenzorg. Maar dat wil nog steeds niet zeggen dat de oorspronkelijke bevolking het goed heeft. Ik lees een soort nieuwsbrief, wat eruitziet als een gekopieerd schoolkrantje en wat een soort kerkkrantje blijkt te zijn en ik verbaas me over de christelijke aboriginals erin.

Al de tijd dat ik hier binnen zit, is er niemand die even komt kijken. Ik zou de post, die in een standaard kantoorbakje op een bankje staat, kunnen openen of zelfs meenemen. Het interesseert blijkbaar niemand. Ik lees nog een ander boekje, wat een soort buurtkrantje is, blijkbaar een buurt waarin nogal wat aboriginals wonen hier in Canberra, maar echt schokkend nieuws staat daar ook niet in. Ik realiseer me dat ik al ruim vier maanden in dit land ben, maar nog niet heb gesproken met iemand van de oorspronkelijke bevolking. Natuurlijk heb ik ze wel gezien, en er ook wel eens een woord of twee mee gewisseld, maar een echt gesprek is me nog niet gelukt. Het is wat meerdere Australiërs me al verteld hebben. Men leeft naast elkaar in hetzelfde land, maar onderling contact is miniem. Het officiële sorry, waar zowel de aboriginal bevolking, als ook vele Australiërs op hopen, komt maar niet over de lippen van de premier John Howard. Aan de andere kant vind ik het moeilijk sympathie te hebben voor pamfletten waarin geclaimd wordt dat dit ‘our land’ is. Dat ‘sovereignity’ een eerste vereiste is. Natuurlijk weet ik dat ze hier al veel langer zijn dan de import bevolking die nu het land beheerst. Maar een oplossing is het natuurlijk nooit, wanneer je de situatie terug wil die al een paar honderd jaar verstoord is.

En over het ‘bezitten’ van land bestaan natuurlijk vele filosofieën, de mijne is vrij eenvoudig. Land is er, dat kun je niet bezitten. Ik teken de petitie voordat ik vertrek, voor wat het waard is en zet buiten het bord, dat ondertussen alweer is omgewaaid, weer rechtop. Ik lees meerdere taalfouten op een van de ander borden. Blak zonder c. Binnen zag ik op een van de posters een f, waarbij de streepjes de verkeerde kant opstonden. Ik vraag me af of dit gebrek aan scholing is, of dat ze de fouten bewust gemaakt worden. Om aandacht te trekken, of om de overheersers er op te wijzen dat ze weliswaar hun taal hebben geleerd, maar dat ze die taal nooit als eigen zullen zien. Ik loop langs het tentenkamp terug naar de stad. Ik zie erg weinig mensen. Er staat een portable toilet, zoals je die ook bij popconcerten ziet, nergens zie ik stromend water. De enkeling die ik zie rondlopen, nooit dichtbij genoeg of vriendelijk genoeg kijkend om aanspreekbaar over te komen, is zeker geen lid van de oorspronkelijke bevolking.

Het ziet er naar uit dat, zoals de lokale bevolking ze noemt, enkele hippies sympathiek tegenover de zaak van de aboriginals staat en wil helpen door hier het kamp te bemannen. Wat men precies hoopt te bereiken door in erbarmelijke omstandigheden hier achter dit gebouwtje te leven, blijft me onduidelijk. Zoals zoveel onduidelijk blijft. Waarom een ambassade, zonder dat die bemand wordt? (Een dag later ben ik nog een keer voorbij gegaan en trof dezelfde situatie aan. Toeristen die de petitie ongelezen tekenen en een leeg hokje. Het bord lag alweer plat op het gras.) Waarom de weinig effectieve politieke kreten zonder enige uitleg op de zijkanten van deze gebouwtjes? Waarom het tentenkamp, waar velen zouden kunnen wonen, maar waar slechts een enkeling rondhangt? Waarom de Australiërs niet van hun vooroordelen afbrengen door te laten zien dat niet alle Aboriginals dronkaards, druggebruikers en criminelen zijn? Hoe interessant ik het ook allemaal vind en hoe graag ik wat meer zou willen weten, ik heb alleen maar meer vragen en geen antwoorden.

(Canberra, Australië, 27 december 2000)

Advertenties