Tags

, , , , ,

Ik had die huurauto toch en met nog een halve dag te gaan eigenlijk geen plannen meer. Ik kon natuurlijk gewoon terugkeren naar Queenstown en het beestje inleveren, maar ik kon ook nog ergens heengaan. Maar wat? Een woord kwam in me op: pinguïn. Vanochtend op de leuke cruise op de Milford Sounds had ik al een zeeleeuw zien zitten op een rots en een stuk of wat dolfijnen die langs de boot kwamen, maar ik had nog steeds geen pinguïns gezien. Mijn planning was dus niet echt goed, ik was al in Dunedin geweest en van daaruit was het slechts een klein stukje naar de stranden waar de pinguïns te zien waren. Niet gedaan dus. Nu was het simpel: zodra ik de gedachte had, had ik eigenlijk al besloten dat ik op zoek zou gaan naar pinguïns.

Met een volle tank en tijd genoeg rij ik dwars over het zuidereiland van west naar oost. Het is lekker rustig op de weg en ik schiet behoorlijk op. Ik maak even een foto van het verkeersbord op de ‘presidential highway’, de weg die sinds een paar jaar waarschijnlijk zo heet, omdat die de dorpjes Gore en Clinton met elkaar verbind. Eenmaal in Mataura besluit ik om de Lonely Planet er nog eens bij te pakken. Ik kan inderdaad wel doorrijden naar Oamaru, ik heb een foldertje waarin staat dat er in februari tussen half tien en tien ’s avonds tientallen het strand oplopen, maar dat betekent ook dat ik vanavond in het donker weer een gigantische afstand moet afleggen. Ik kan ook naar Dunedin gaan, maar daar ben ik al eens geweest. Ik bevind me nu op de rand van het natuurgebied de Catlins, waarvan ik me kan herinneren dat er ook pinguïns leven. Maar komen die vanavond ook de zee uitlopen?

De toeristeninformatie is al dicht, eigenlijk te vroeg volgens hun openingstijden, maar daar kan ik niets mee. Ik besluit toch maar richting de kust te gaan, daar kunnen ze me vast wel verder helpen. Net buiten het dorp pik ik een lifter op, een jochie van een jaar of 13-14, in de typische stijl die alle teenagers over de hele wereld hebben. Te grote broek, dreadlocks, geen pas sneller lopen richting de auto als ik op hem sta te wachten, geen volledige zin die uit zijn mond komt en de woorden die hij uitstoot zijn zo goed als onverstaanbaar. Ik vraag hem om informatie over de vogels, hij woont tenslotte aan de kust. Na hard en lang nadenken mompelt hij iets over doorrijden tot aan een vuurtoren, daar zou een huis moeten staan waar je kunt kijken. In mijn reisgids had ik al gelezen over de vuurtoren op Nugget Point, dus waarschijnlijk bedoeld hij die.

In Kaka Point, een gehucht aan de kust is hij thuis en ik rij door richting Nugget Point. De laatste 8 kilometer gaan over een heuvelachtig zandweggetje. De laatste halve kilometer is een wandelpad. Het regent lichtjes als ik uit de auto stap, de wind is behoorlijk sterk hier. Tegen de tijd dat ik bij de vuurtoren ben, lijkt het dat de regendruppels in natte sneeuw veranderen. Hier loop ik dus in februari, hartje zomer, in korte broek, en ik krijg sneeuw om mijn oren! De vuurtoren licht mooi, op het uiterste puntje land, met meerdere rotsen er vlakbij. Maar ik zie slechts een aantal meeuwen en daarvoor hoef ik geen honderden kilometers te rijden. Op de weg terug staat een meisje met een verrekijker naar de zee te staren. Ik gok dat we zeker honderd meter boven de zee op een klif staan, het zicht is inderdaad mooi, maar een verrekijker lijkt me niet nodig. Maar ik zie al snel iets zwemmen wat verdacht veel op een zeeleeuw lijkt. Maar die had ik vanochtend al van dichtbij gezien. Pinguïns wil ik zien!

Ik rij terug naar het gehucht, waar ik bij een motel om informatie vraag. Een VVV hebben ze hier niet, maar de eigenaar is erg behulpzaam en vertelt me dat ik de parkeerplaats voor de vuurtoren moet hebben, van daaruit loopt een pad en dan zie ik vanavond zeker een aantal pinguïns. Niet veel, maar een dozijn zou ik wel zien, vertelde hij me. Tijdens de schemering is de beste tijd. Ik eet patat uit een oude krant, gekocht in de winkel, cq tearoom, cq restaurant, cq postkantoor, cq snelbuffet, cq boekhandel. Daarna besluit ik naar de genoemde parkeerplaats te gaan en daar een siësta te houden in mijn auto. Ik heb nog zo’n twee en een half uur voordat het schemert en omdat ik vanochtend al vroeg op was en vanavond lang door moet rijden, is een kort dutje zeker geen luxe.

Na een dik uur slaap blijk ik al niet meer de enige te zijn op de parkeerplaats, er staan meerdere auto’s en ik besluit iets na achten toch ook maar richting de baai te lopen. De naam Roaring Bay blijkt niet toevallig te zijn gekozen, de wind is niet gering. Het pad slingert een paar minuten door de duinen naar beneden en eindigt in een houten hut. Dit bedoelde mijn jonge vriend natuurlijk met een huis waar je kunt kijken.

Ik loop er naar binnen en er staan een handjevol te kijken naar het strand, waar inderdaad aan de waterkant een vogel te herkennen is, terwijl er net weer eentje uit het water komt. Men vertelt me dat ik de eerste al heb gemist, die is ondertussen al het strand over en in zijn nest halverwege het duin aangekomen. De twee die we nu zien, nemen een korte pauze en waggelen dan het strand over onze kant op. Het lijkt wel alsof ze een wedstrijdje houden. Aan de rand van het strand blijven ze weer stil staan. Ik lees de informatieborden achter ons en zie dat we naar de geel-ogige pinguïns staan te kijken. Er schijnen er nog maar zo’n 3000 van over te zijn en ze zijn erg bang voor mensen, vandaar dit hutje. We blijven dus uit zicht, hoewel de gaten aan de voorkant nou niet echt kijkgaatjes zijn, meer flinke ramen, qua formaat dan, want glas zit er niet voor.

Er komen er weer een paar uit de zee. Het opstaan blijkt nog niet mee te vallen en een aantal worden door een onverwachte golf weer meegesleept de zee in. Uiteindelijk komen ze allemaal op het zelfde punt links het strand op. Deze zijn met zijn vijven en blijven midden op het strand staan in een vreemde formatie, alsof ze wachten op de punten van de jury. De eerste twee zijn ondertussen begonnen aan de beklimming van het duin, op weg naar het nest. Ik mag even door een verrekijker van een van de anderen kijken en zie de pinguïns ineens een stuk groter, die apparaten maken echt een verschil. Terwijl de vijf stokstijf op het strand staan, hopt de eerste van de twee langzaam maar zeker naar boven, pauzes inlassend na elke sprong.

Het is een fascinerend spektakel. Niet dat er nu zo veel gebeurt, maar er is niemand hier die teleurgesteld vertrekt onder het mom van ‘is dit nu alles?’ Iedereen is enthousiast. De beestjes lokken automatisch commentaar uit. ‘Zou jij op blote voeten die stenen overlopen?’ vraagt een dame, terwijl een van de pinguïns stil blijft staan aan de rand van het strand, bij de rotsen. ‘Yes, you’ve made it!’ concludeert een ander, terwijl de volgende pinguïn het water uitkomt. ‘Zie ze eens waggelen’ kijkt een meisje vertederd naar het strand, terwijl haar vriend zijn armen langs het lichaam houdt en een imitatie tracht te doen. Niemand staat hier gewoon stil te kijken. Op de een of ander manier spreken deze vogels tot de verbeelding van velen. Hoe koud het ook moge zijn, iedereen blijft een tijdje hier, Een wat oudere Engelsman klaagt continu over de kou, terwijl hij vertelt hoe hij zijn vrouw had uitgelachen, toen hij zag dat ze dikke truien in de koffer pakte thuis. Ze gingen toch naar Nieuw Zeeland? Daar was het toch zomer? Nu was hij blij dat hij die trui bij zich had.

Een Duitser doet een poging een foto te maken, met een telelens op zijn camera die er duurder uitziet dan de cumulatieve waarde van alle camera’s die ik tijdens mijn hele leven heb bezeten. Maar zelfs zo’n lens is niet genoeg verteld hij, ik mag even kijken en zie de laatst aangekomene beter dan met het blote oog, maar inderdaad nog steeds maar een wit stipje in het midden van veel zand. Ik was nog van plan geweest mijn camera uit de auto op te halen, maar zie dat dat helemaal geen nut heeft. Men moet me maar geloven dat ik ze heb gezien.

Ondanks de kou hou ik het meer dan een uur vol in het huisje. We zijn nu nog maar met zijn drieën hier, het is nog niet helemaal donker, maar het zicht is al een stuk minder geworden. In totaal heb ik precies 12 vogels op het strand zien lopen. Bijna allemaal verdwenen ze in een hol of in de duinen. Er staan er nog een paar te kijken op het strand. Het was een prachtige voorstelling, tevreden keer ik terug naar mijn auto. Nog vier uur rijden voordat ik terug ben, maar dat heb ik er graag voor over.

(Nugget Point, Nieuw Zeeland, januari 2001)

Advertenties