Tags

, , ,

Columbia is altijd een apart land geweest in de wielerwereld. Een Nobelprijswinnaar als Gabriel Garcia Marquez schreef er ooit een boek over de sport. Al in de jaren zestig had men een sterke generatie renners, met Duarte als grootste talent. Maar de wereld was in die tijd een stuk groter. ‘Even’ naar Europa gaan om te fietsen zat er niet in. Pas vele jaren later was er een generatie die die kans wel kreeg. Lucho Herrera behaalde grote successen, Fabio Parra won in zijn kielzog ook nog enkele mooie etappes in de grote ronden.

Maar de weg werd geopend door de generatie net voor hen. In 1983 deed voor het eerst een team uit Colombia mee in de Tour de France. Amateurs nog wel. De wielerliefhebbers deden een beetje lacherig over het zootje ongeregeld uit het cocaïneland dat uitgenodigd werd. In die tijd waren er nog niet zo veel wielerploegen en de Tourdirectie moest zoeken naar voldoende deelname. De uitnodiging voor de Zuid Amerikanen werd als publiciteitsstunt gezien. Ook bij ons, deelnemers van de Oudste Goorsche Tourtoto, werd de ploeg niet serieus genomen. Bij de vraag: “Wie wordt er op doping betrapt?” (in die dagen waren we nog druk op zoek naar de juiste formule, originele vragen bedenken kostte moeite) kwamen we de Colombiaanse namen tegen. Slechts 1 deelnemer durfde het aan om de kopman van de ploeg op de tiende plaats in het Algemeen Klassement te voorspellen. Meer als geintje, dan als serieuze voorspelling.

De kenners wisten wel beter. Die kopman, Alfonso Florez, won drie jaar voordien de Tour de L’Avenir, een prestatie die niet door iedereen op waarde wordt geschat. De eerste tourweek bevestigde de mening van de leken. De Colombianen reden achteraan in het peloton, hadden geen idee van waaiers, waren betrokken bij valpartijen en stonden allemaal al een straatlengte achter toen de bergen kwamen. In de Pyreneeën verraste men voor het eerst het internationale wielerpubliek. Het was echter niet kopman Flores, maar knecht Edgar Corredor die de show stal. Flores was eigenlijk al over zijn hoogtepunt heen. Zijn mooiste overwinningen behaalde hij in de twee lokale koersen waarvoor zelfs Europeanen het vliegtuig namen, de Clasico RCN en de Ronde van Colombia. Dat hij kopman was van de eerste Colombiaanse tourploeg was een soort eerbetoon.

Jaren later is de drugsoorlog in Colombia op zijn hoogtepunt. Elke week worden er tientallen mensen ontvoerd, vaak rijken, met het losgeld wordt de oorlog gevoerd. De regering heeft erg weinig invloed op het land. Voetballer Escobar wordt vermoord vanwege een eigen doelpunt en wielerheld Herrera, een van de bekendste sporters van het land, wordt ontvoerd. “Is er dan niets meer heilig?”, klinkt er verbaasd vanuit Europa. De nieuwste kampioen Botero durft er niet eens te trainen in zijn eigen shirt, bang als hij is dat men hem herkent en ontvoerd.

Het tragische lot van Alfonso Flores wordt hier pas later bekend. In april 1992 komt hij om het leven. Hij was al een tijdje geen wielrenner meer. Wel leerde hij een dame kennen, die echter de geliefde bleek van een familielid van Pablo Escobar. En Don Pablo was in die tijd de machtigste man van het land. Diens familieleden genoten van de privileges van zijn positie. Flores werd vermoord in Medellin, de drugshoofdstad van de wereld in die tijd. Recht tegenover een supermarkt kreeg hij meerdere kogels op hem afgevuurd, hij overleefde het niet. Weinigen realiseerden zich dat er een groot sportman werd vermoord. Slachtoffer van een crime passionele. Een goede manier om als legende te eindigen, al weet ik zeker dat hij liever in de anonimiteit had verder geleefd.

Tien jaar later zijn Santiago Botero en Victor Hugo Peña betere renners dan hun bekendere voorgangers ooit waren. Laten we hopen dat een tragisch lot, zoals vele voorgangers ondergingen, hun bespaard blijft.

Advertenties