Tags

, , , , ,

Ik kwam aan het eind van de middag aan in Coolgardie, na de hele dag te hebben doorgebracht in Kalgoorlie, de grootste en bekendste plaats in de west Australische goudvelden. Ik nam een kamer in de Railway lodge, een oud gebouw op een hoek in de hoofdstraat, Bayley street. Het hotel was een oud gebouw zoals je ze vaker tegenkomt in plaatsjes die om welke reden dan ook vroeger belangrijker waren dan nu. In vroegere tijden, toen afstanden relatief veel groter waren, waren er vele plaatsen die op belangrijke routes lagen en leefden van degenen die, hier voorbij reizend, moesten overnachten. Het hotel straalde dus uit, wat de hele hoofdstraat ook uitstraalde: vergane glorie.

En op de een of ander manier raakt me dat altijd weer. Plaatsen die die uitstraling hebben, zijn meestal een stuk interessanter om rond te lopen dan plaatsen die midden in die glorietijd zitten. Het hotel had in New Orleans kunnen staan. Een mooi houten gebouw, op de hoek van de straat, met een gigantisch balkon op de eerste verdieping. Binnen was het vergelijkbaar met andere hotels die ooit goed waren en nieuw, maar die niet met de tijd zijn meegegaan. Het is de eerste plek waar ik kwam, waar de prijs voor een overnachting lager is dan wat er in de reisgids vermeld staat. Krakende gangen, open deuren naar kamers die tijdelijk buiten gebruik zijn, een gedeelte van het balkon is met een lint afgezet en er staan een paar kapotte stoelen, een oude koelkast en wat verfbussen achter. In de kamer naast de mijne staan ook meerdere verfbussen, alsof ze bezig zijn met een belangrijke renovatie, alsof de volgende glorietijd er aan staat te komen en het hotel zich daarvoor prepareert. Maar de typische geur van frisse verf ontbreekt, de druppels op de zijkant van de bussen zijn niet recent, want keihard. In de gang staan her en der dingen die ze kwijt moesten, maar waarvoor geen plek gevonden is. Stoelen, keukenmachines die verouderd en kapot zijn en andere troep. De linnenkast staat wijd open en de lakens liggen ongeorganiseerd door elkaar. In het keukentje dat de hotelgasten (ik kwam net iemand tegen in de gang, ik ben niet helemaal alleen) kunnen gebruiken, doet het licht het niet en staat afwas te drogen, dat daar ongetwijfeld ook niet sinds vanmiddag staat.

Op het balkon is het uitzicht over Bayley street prachtig. Aan de overkant nog zo’n oud hotel, maar dan een waarvan de pub beneden nog open is, in tegenstelling tot mijn hotel. Op het bord op het trottoir staat het woord ‘skimpies’, waarmee wordt aangeduid dat de dame die achter de bar staat en je van een glas drinken kan voorzien, vanavond gekleed zal gaan in kleding die normaal gesproken geschikter is voor een bezoek aan het strand. Het balkon kraakt als ik erover loop en een plank geeft zelfs zoveel mee dat ik snel een paar stappen doe om mijn gewicht op wat zekerder stukken hout te laten rusten. Bij de oude leunstoel, kapotte leuningen, staan twee legen flessen cola met twee lege flessen whisky. Toen de avonden nog warmer waren, ik gok zeker een maand geleden, heeft hier iemand een goede avond gehad. Een paar spijlen van de balkonleuning ontbreken, anderen zien er uit alsof het beter is dat ik niet op de balustrade leun. Dat doe ik dus ook maar niet.

Nu het nog schemert, besluit ik om even een stukje te lopen. Aan de overkant van de weg zie ik een paar borden staan en dat is een leuk beginpunt van mijn wandeling. De weg oversteken is vrij eenvoudig, er is erg weinig verkeer. De afstand is echter indrukwekkend. Een straat zo breed heb ik nog niet vaak gezien, ik gok dat het de Champs Elysees concurrentie aandoet. In de tijd voor de auto was het vervoer per door kameel voortgetrokken wagen en die hadden veel ruimte nodig om te keren. De hele hoofdstraat geeft de indruk dat Coolgardie inderdaad ooit een heel belangrijke stad was. Een aantal gebouwen hebben de grandeur van middel- of zuid Europese steden.

De borden die ik zag staan, staan overal in het dorp. Meer dan 100 zijn er, lees ik in een foldertje, voornamelijk langs Bayley street. Ze staan vaak op lege plekken. En daar zijn er veel van in deze straat. Want het dorpje nu, is een stuk kleiner dan dat het honderd jaar geleden was. Het begon allemaal in 1892 toen Arthur Bayley goud vond op de Fly Flat. Binnen een paar uur vertrokken de eerste gelukzoekers, de grootste volksverhuizing in de geschiedenis van Australië begon. Duizenden leefden in tentenkampen een half jaar later, binnen een decennium woonden er 16.000 en was Coolgardie de derde stad in West Australië, een gebied groter dan West Europa.

Nu loop ik rond in een dorpje waar nog geen 10% woont in vergelijking met toen en lees de tientallen borden die her en der verspreid staan. Ze zijn erg interessant. Ik leer hier in een uur meer over de geschiedenis van de goudzoekers dan ik in mijn hele leven tot nog toe wist. En de borden zijn allemaal relevant, de informatie is beknopt, maar informatief. Ze zijn niet zo irritant als in sommige Amerikaanse steden, waar ze vertwijfeld een poging doen om historie te creëren, waar het eigenlijk nooit was.

De 1890’s in Coolgardie waren een zware tijd. Binnen korte tijd was water waardevoller dan goud. Goud werd tenslotte dagelijks gevonden, water was in dit woestijnachtige gebied schaars, terwijl er continu meer vraag naar kwam. In de vele hotels die er waren konden de goudzoekers eten, zonder problemen drinken, maar genoeg water om een douche of bad te nemen was er niet, ze moesten naar een badhuis. De dag dat de waterleiding van een gigantisch reservoir vlakbij Perth, aankwam in Coolgardie was een feestdag. De afstand die afgelegd werd was uniek. Vergelijkbaar zou Parijs zijn water uit de Pyreneeën halen, Londen uit het Lake district.

Coolgardie was een stad voor mannen. Op de foto’s die ook op de borden te zien zijn, zie ik erg weinig vrouwen. Er waren wel families die hier heen trokken, maar voornamelijk waren het kerels. De badhuizen waren alleen voor mannen, de bordelen verschenen vlak na de hotels en de kleine winkeliers zoals slagers, bakkers en kleermakers volgden al snel.

Tijdens de hoogtijdagen waren er diverse kerken, een moskee (voor de Afghanen, degenen die de kamelen reden) en een synagoge. Er waren meerdere banken, hotels en een paar theaters. Het leven was echter hard. Op het Pionier kerkhof, waar binnen twee jaar 33 gelukszoekers eindigen, zijn slechts 6 namen bekend. De andere 27 stierven anoniem. De omstandigheden hielpen niet, de hitte, het zand, het schaarse water, de concurrentie in de zoektocht naar goud.

Hoe donkerder het wordt, hoe dichter ik bij de borden moet staan om ze te kunnen lezen, er is niemand meer op straat, slechts een enkele auto komt voorbij en ik krijg het behoorlijk koud in mijn T-shirt. Maar dit dorpje fascineert me te veel om nu al terug te keren naar de relatieve warmte van het tochterige hotel zonder centrale verwarming. Ik sta nu bijna met mijn neus tegen de borden en moet mijn hoofd heen en weer bewegen om de lange zinnen te kunnen lezen, ik ben ondertussen aan de andere kant van het dorp aangekomen, zo’n 6 blokken weg van mijn startpunt.

Maar zelfs de borden doen mee aan de algemene indruk van vergane glorie die overal van afstraalt. Een enkel bord verschijnt voor de tweede keer voor mijn neus, niemand die blijkbaar controleert welk bord waar staat. Bij meerdere borden is het plastic gebroken, sommige foto’s ontbreken. Behalve vele lege plekken in Bayley street, staan ook meerdere gebouwen te koop of te huur. Gezien de staat van die gebouwen, ben ik ervan overtuigd dat het niet alles hoeft te kosten. Een winkeltje dat handelt in antiek en tweedehandsspullen heeft geen openingstijden meer. Een briefje in de etalage vertelt dat wanneer je iets ziet wat je zou willen kopen, dat je dan het onderstaande telefoonnummer moet bellen.

Op een hoek is weer een lege plek, maar hier is een soort tentoonstelling gemaakt. Volgens het plattegrondje wat ik van de lokale VVV kreeg is dit Ben Prior’s openluchtmuseum. Hier is het te donker en besluit ik dat de volgende ochtend het vervolg van de wandeling hier moet beginnen. Het museum past precies bij de rest van het dorp. Geen toegang, gewoon een open poort. Geen verklaring van wat er ligt, maar alleen een hoop oude troep her en der in het veldje, roestige en kapotte instrumenten uit de goldfields en drie standbeelden, al wordt het niet duidelijk wie er geëerd worden of waarom.

Na een paar decennia was de glorietijd van Coolgardie voorbij, in 1963 sloot de laatste mijn. De meeste hotels, banken, bordelen en winkels, als ze al niet waren afgebrand in een van de vele branden die woeden in Bayley street, waren al 40 of 50 jaar eerder gesloten. Toch kun je Coolgardie geen ghosttown noemen. Die schijnen er wel te zijn, verder in de woestijn, compleet verlaten nadat er steeds minder goud werd gevonden, terwijl zo’n 30 kilometer verderop in Kalgoorlie de ‘golden mile’ werd ontdekt, de rijkste vierkante mijl ter wereld qua goud. Er wonen hier nog steeds meer dan 1000 mensen, er zijn nog steeds een paar winkels.

Nadat ik de volgende ochtend de sleutel achterliet in de lege receptie van het hotel, rij ik nog even rond door een paar van de zijstraten, op weg naar het benzinestation en lees de paar borden die ik had gemist. Een paar kilometer buiten het dorp maak ik een stop bij het kerkhof. Alle religies hebben een eigen hoek, al zijn vele graven niet meer als zodanig herkenbaar. Slechts een paar oude grafstenen uit de tijd van de goudzoekers zijn leesbaar. Maar dat het stadje nog steeds niet een rustiek pittoresk plaatsje is, zoals de VVV ons graag wil laten geloven, is te lezen op een van de meest recente graven, waar een jongen van 16 ligt, ‘willfully murdered by his own brother’ melden zijn ouders.

Achteraf had ik mijn tijd niet in het bekende Kalgoorlie moeten doorbrengen om de goldfields te zien en te begrijpen, maar had ik Coolgardie de hoofdbestemming moeten maken. Achteraf..

(Coolgardie, Australie, mei 2001)

Advertenties