Tags

, , , ,

Morzine

“Papa wat staat daar?”
“Kappert”, zei de vader, na enige aarzeling. Hij sprak het uit op zijn Frans. De ‘t’ aan het eind negerend, de ‘er’ langgerekt, zodat het geheel rijmt met het Franse woord ‘compere’. “Da’s een wielrenner jongen. Een Franse wielrenner.” En wij zaten aan de kant van de weg en zeiden niets.

We zitten in Morzine, precies een kilometer voor de finish, we kwamen vanochtend aanrijden toen ze net de plek uitzochten waar de rode vlag kon hangen, in een tijd dat dat nog gewoon een rood stuk textiel was, geen opblaasbaar gevaarte met alle sponsors erop. We wisten dat dit een goede plek was om te zitten vandaag.

Het jaar is 1984 en we zijn op vakantie in Frankrijk. Weliswaar hebben we allemaal moeite om een paar woorden Frans achter elkaar te rijgen, maar we zijn ook fanatieke fans van de Tour de France, op mijn kleine zusje na dan, maar die is de jongste en in de minderheid. Het is niet de eerste keer dat we een etappe zien. In eerdere jaren zagen we Ludo Loos winnen in Prapoutel. De etappe waar we, nadat de laatste renner langs was gekomen een half uur lang in het stukje bos achter onze auto op zoek gingen naar de bidon die een van de renners wegwierp, maar meer dan een leeg bierflesje vonden we niet. We stonden op de Alpe D’huez, waar Alban een vergeefse poging deed Beat Breu te achterhalen, in de tijd dat je nog ’s ochtends de beroemde berg kon oprijden en een redelijk plekje kon vinden en we zouden een dag later de oppermachtige Laurent Fignon zien winnen op weg naar Crans Montana, behalve de tour won hij ook 5 etappes dat jaar.

Morzine was de finishplaats van een lange etappe. We waren de dag ervoor al over de Joux Plane gereden, op zoek naar een mooie plek om te staan, maar besloten deze keer in het dorp te staan. De renners komen dan weliswaar iets sneller voorbij, het is tenslotte aan het eind van de afdaling, maar er is een hoop meer te beleven en te zien in het bergdorpje. Dit jaar doen de Nederlanders het slecht. Zoetemelk is nu echt te oud, regionale held Veldscholten is niet zo goed als gehoopt en tegen de tijd dat de Tour in Morzine komt, is er eigenlijk geen Nederlander meer die nog een rol van betekenis speelt.

Maar wij hebben die spuitbus verf bij ons. In voorgaande jaren begon het namen op de weg schrijven net populair te worden, dus wij waren dit keer voorbereid. In de schilderswinkel van een oom en tante, waar we toen nog wel goed mee konden opschieten, kregen we de bus met korting en de hele vakantie had dat ding achter in de kattenbak gelegen, wachtend op het moment dat wij ons ook bij de ‘echte’ wielerfans konden scharen. En we hadden de beste plek gevonden die er is. Zelfs in de samenvatting van twee minuten laten ze het moment zien dat de uiteindelijke etappewinnaar onder de rode vlag doorkomt. Televisiebeelden waren dus een garantie. Maar welke naam moeten we op de straat schrijven?

Het was mijn moeder die het idee had. “Kappert” zegt ze. Als enige die die naam niet haar hele leven gevoerd had, had ze het beste idee. Dus terwijl Morzine zich langzaam begint op te maken voor de finish, achter ons op een sportveld de helikopters van de televisie startklaar gemaakt worden, boven ons op de weg een man op een ladder de laatste touwen van de rode vlag vastknoopt, zit ik op mijn knieën op de weg en begin met het spuitbusje onze familienaam op de weg te schrijven. Grote dikke letters, tussendoor elke keer de bus schuddend om het ding aan de praat te houden (ik krijg bewondering voor graffiti artiesten, want dit valt niet mee), duurt het een behoorlijke tijd voordat de naam er staat. Als ik bij de tweede ‘P’ ben, komt een groepje Amsterdammers langs die me er op wijst dat “Kapelaan met slechts 1 ‘P’ geschreven wordt”. Nieuwsgierige voorbijgangers zoeken in hun startlijst naar de renner wiens naam met deze letters begint en kunnen hem, natuurlijk, niet vinden.

Na een tijdje staat de naam op de weg, precies onder de vlag. Met het laatste restje dat nog in de bus zit, maken we de letters nog wat dikker en daarna kunnen we genieten van het resultaat. En dat komt meteen. Nog nooit hebben we onze eigen naam zo vaak gehoord. Op allerlei verschillende manieren wordt de naam uitgesproken. De klemtoon wordt verschillende keren verlegd. Kappert is een Duitse naam, een Italiaanse, maar meestal een Franse renner. Bijna niemand heeft door wie Kappert nu eigenlijk echt is.

Wanneer mijn moeder, mijn zusje en ik voor een wandeling naar het centrum lopen, de finish bekijken en het hele circus daaromheen, blijft mijn vader alleen achter. Hij zit in zijn tuinstoeltje bij de auto, aan de rand van de weg en doet een oog dicht, maar slapen doet hij niet. Keer op keer hoort hij iemand die zijn naam probeert uit te spreken. De Nederlanders zijn het leukst, wanneer ze na het eerst goed te hebben gelezen, concluderen dat het dat niet kan zijn (tenslotte rijden er nog maar een dozijn rond en dan hadden ze deze renner toch moeten kennen?), en alsnog een poging doen de naam op zijn Frans uit te spreken.

De etappe was prachtig. Vanaf half twee (een half uur voordat de uitzending begint), hebben we radio Tour al op de autoradio, op die frequentie die je in Nederland niet krijgt, maar alleen kunt ontvangen als je dicht genoeg bij het vliegtuig bent dat het signaal van de motoren verder zend. We kunnen dus ook de communicatie horen die buiten de uitzending blijft. We horen dat Delgado is gevallen in de afdaling, we weten dat zijn ploegmakker Arroyo de eerste is die straks bij ons voorbij zal komen. En we weten dat we de televisie halen vandaag.

Een half uur na de eersten komt de grote groep voorbij met bijna alle Nederlanders. Het lijkt niet echt een zware etappe te zijn geweest voor deze groep. Leo van Vliet komt rechtop zitten juichend voorbij, wanneer hij wordt aangemoedigd door de groep uit de bus van Sauna Diana, de fanatieke volgers die jaar in jaar uit weer naar de tour gaan en die we ondertussen ook al meerdere keren waren tegengekomen.

Thuis in Nederland zag bijna niemand de naam. Men lette er niet echt op. Slechts Oma had de naam zien staan. Ze wist dat we bij die etappe zouden zijn, keek dus de hele middag naar de uitzending vanwege het kleine kansje dat ze haar dochter en de familie kon zien. Toen ze de naam op de weg zag staan, durfde ze het niemand te vertellen, bang dat men haar zou uitlachen. Een paar weken na de tour kregen we van vrienden van vrienden een videoband te leen. Een recorder hadden we nog niet, maar die konden we ook wel lenen. Ook zij hadden de naam zien staan en hadden toen besloten de band te bewaren. Uiteindelijk hadden we het bewijs dat onze opzet geslaagd was. Duidelijk zichtbaar voor iedereen die weet waar ze naar moeten kijken. Het was de eerste en laatste keer dat we meededen aan de rage. In volgende jaren verschenen er zoveel namen op het asfalt dat die ene niet meer zou opvallen, daarbij kon het succes toch nooit meer geëvenaard worden, laat staan overtroffen. Stoppen op je hoogtepunt, slechts een enkele renner kan hetzelfde over zichzelf vertellen.

Advertenties