Tags

, , ,

Het gras onder de vleugel is droog en ik ga dus op de grond zitten en pak mijn boek er maar bij. Als ik een halve bladzijde gelezen heb, realiseer ik me dat de situatie niet echt normaal is. Als iemand me vanochtend had verteld dat ik die middag voor de regen zou schuilen onder de vleugel van een vliegtuig, in het gras zittend en een boek lezend, aan de rand van een Nationaal Park, met zo nu en dan een auto voorbijkomend en behalve het kantoortje van de vliegmaatschappij geen huis te bekennen binnen 5 kilometer, dan had ik degene voor gek verklaard.

Maar soms loopt het zo. Soms gebeuren de dingen die een situatie creëren die zelfs een rijke fantasie niet kan bedenken. Een uurtje geleden werd ik honderd meter hiervandaan gedropt door mijn derde lift van die dag, een Nederlands echtpaar dat een aantal dagen had om het land te bekijken voor ze een peperdure yogacursus gingen doen. “Wij reizen in ons zelf”, vertelde zij en ik geloof dat ze het zelf behoorlijk grappig vond. Het was geen tien kilometer meer naar mijn doel van vandaag, het plaatsje National Park, blijkbaar had men geen creatievere geesten toen de eerste bewoners er kwamen wonen. Maar tien kilometer is een behoorlijke afstand met twintig kilo op je rug, handbagage in de ene en een oud laptopje in de andere. Ik hoop dus op een laatste lift. Na zo’n tien minuten heb ik door dat de meerderheid van de weinige auto’s de verkeerde kant op rijden of afslaan. Er gaan blijkbaar erg weinig auto’s naar National Park. Als het een paar minuten later ook nog begint te miezeren, worden mijn kansen niet groter. Soms is het begin van een bui juist gunstig, omdat men medelijden krijgt met de eenzame lifter aan de kant van de weg, maar hoe langer het duurt, hoe groter de kans is dat de gedachte “die natte zwerver wil ik niet in mijn auto” de overhand krijgt.

Maar eigenlijk regent het nauwelijks. Ik sta zeker een kwartier te wachten, maar ben absoluut niet nat. Een paar fijne druppels op mijn fleece (die ik wel uit mijn rugzak heb gehaald, in T-shirt hier staan is niet echt lekker, terwijl mijn jas helemaal onder in mijn rugzak zit en dus daar voorlopig mag blijven) en op mijn schoenen, terwijl mijn rugzak slechts aan een kant, daar waar de wind vandaan komt, enigszins de sporen van de regen verraad. Ik blijf optimistisch en steek enthousiast mijn duim op bij elke auto die de goede kant opgaat. Maar of ik vriendelijk lach, smekend kijk of wanhopig staar, geen mens die ook maar afremt om te kijken wie ze mee zouden kunnen nemen. Na een half uur lijkt de rondvliegende dauw te veranderen in een voorzichtige regen. Ik begin rond te kijken naar een plek om te schuilen.

Richting de vulkaan is er niets. 6 kilometer niets als ik het bord mag geloven. Daarbij komt de regen van die kant, dat heeft dus ook geen nut. In het weiland tegenover me staat wel een soort afdakje, misschien ooit geschikt als hooiberg, maar dan moet ik een behoorlijk stuk door het gras lopen, plus een riviertje, twee hekken en een hoop struiken ontwijken. Ook geen optie dus. Het enige wat overblijft is dat afdakje een stuk verderop. Door de struiken kon ik eerst niet goed zien wat het was, maar ik heb door dat het een vliegtuigje is. Blijkbaar is het mogelijk om over het park te vliegen in een klein vliegtuigje. Ik besluit mijn spullen op te pakken en die kant op te lopen.

Het hek naar het weiland is eenvoudig te openen en even later plof ik mijn rugzak neer onder de vleugel. Ik kan net rechtop staan, terwijl mijn hoed tegen de onderkant aantikt. Ik zet de andere twee tasjes ook neer en kijk even in het apparaat. Qua beenruimte stelt het erg weinig voor. Als ik goed tel kunnen er 8 personen in vliegen, maar lang volhouden doe je het niet. De bodem is niet eens zichtbaar doordat de stoel ervoor iets overhangt. Overgewicht wordt niet gewaardeerd. Ik voel het gras en concludeer dat ik rustig kan gaan zitten. Na een paar slokken water pak ik mijn boek en besluit de tijd dan maar nuttig door te brengen.

Als het een tijdje later minder hard lijkt te regenen, klim ik over het hek en doe een poging om een lift te krijgen, terwijl mijn bagage nog heerlijk droog staat. Een paar auto’s later besluit ik om het spul toch maar op te halen, het is zo goed als droog ondertussen. Ik heb mazzel. De tweede auto stopt al en brengt me naar het dorpje (drie straten tussen de autoweg en de rails met drie zijstraten, een station, vier hostels en de enige winkel bij het benzinestation) waar ik vandaag mijn reis eindig. Bij het hostel verwachten ze regen. Het is hier blijkbaar de hele dag nog droog geweest.

(National Park, New Zealand, januari 2001)

Advertenties