Tags

, , , , ,

Ik had al een paar duizend kilometer gereden, had dus zeker al een behoorlijk stuk gereden door wat de Australiërs Outback noemen. Honderden kilometers met slechts een enkel gehucht langs de weg is een vreemde ervaring voor een Europeaan. Maar het was allemaal nog vrij eenvoudig vergeleken met de opdracht die ik mezelf had opgedragen: via de Flinders range en William Creek naar Coober Pedy rijden.

De Flinders range is een mooi gebied met heuvels en zandpaden. De uitzichten waren prachtig, de gorges de moeite waard en de zandpaden behoorlijk goed. Het was een ideale training voor de dagen erna. De weg die ik gekozen had was namelijk een groot gedeelte van de Oudnamatta track, honderden kilometers alleen maar zandpaden. Dit is de echte Outback, iets wat ik graag wilde ervaren.

Natuurlijk rij je niet zomaar dat stuk. Een telefoontje naar de pub in William Creek en de informatie bij de lokale tourist informations op weg ernaartoe vertelden me dat de weg behoorlijk goed was, ook zonder fourwheeldrive kun je de weg rijden. ‘Zo lang je maar geen haast hebt’, vertelde de landlord van de pub me. Pas toen ik de eerste zandweg opreed, begreep ik hem.

Het rijden op deze zandpaden is een nieuwe ervaring. Het was slechts 20 jaar geleden dat alle wegen van zuid naar het verre noorden zandpaden waren, er is nu een grote motorweg geasfalteerd, maar hele gedeelten van het land zijn nog steeds alleen maar bereikbaar via gravelpaden en zandpaden die met een goede regenbui compleet verwoest kunnen worden. Waar vele creeks over de weg lopen, zonder dat er een brug is. Slechts een van die waterstroompjes had daadwerkelijk water in de bedding en dus is het dan gewoon een kwestie van afremmen, doodkalm door het water rijden en weer verder gaan. De meeste creeks zijn droge bedding.

Het is een aparte ervaring om hier te rijden. Ik zit alleen in de auto, een keer in de zoveel kilometer komt er uit de andere richting een auto gereden, zonder uitzondering een fourwheeldrive of een vrachtwagen en een enkele keer zie ik in mijn spiegel, dwars door de stofwolk heen een volgende stofwolk snel naderen en ga wat verder naar de linkerkant zodat ik eenvoudig ingehaald kan worden. Al snel heb ik door dat iedereen in de outback elkaar groet. Er zijn zo weinig auto’s dat dat vrij normaal is. Als ik op een gegeven moment stop om even een boterham te eten en op de kaart te kijken hoe ver ik die dag kan komen, komt de eerste auto vanuit de andere richting stapvoets langs rijden en rijdt pas verder nadat ik met een groet heb aangegeven dat er niets aan de hand is. Zover van de bewoonde wereld help je elkaar.

Maar de meeste indruk maakt de leegte. Ook al is het nergens echt leeg, overal staan bomen en struiken, liggen rotsblokken en stenen en zo nu en dan lopen er wat schapen in de verte, het komt er toch op neer dat je zo ver je kijken kunt zo goed als niets ziet. En die leegte is indrukwekkend, ik ben blij dat ik besloten heb dit gedeelte alleen te rijden. Helemaal alleen in die leegte raak je echt betoverd door de grootte. Australië geeft je een nieuw perspectief op het woord afstand.

Een groot gedeelte van de weg loopt het spoor parallel aan de oude Ghan spoorweg. De laatste trein kwam ruim 20 jaar geleden voorbij, sindsdien zijn gedeeltes van het traject weggehaald, maar het grootste gedeelte is ‘gewoon’ blijven liggen en ligt nu dus nog in die leegte. Het ijzer van het spoor is op veel plekken verdwenen, daarvoor is zeker een betere bestemming gevonden. Het hout van de bielzen ligt er nog. Op vele plekken hebben reizigers het hout gebruikt om hun initialen of een naam op het talud te schrijven. Zo nu en dan is een spoorbrug zichtbaar. Het komt op mij over als ultieme nutteloosheid. Een spoorbrug voor een trein die niet meer gaat over een creek waar geen water door stroomt.

De oude Ghan was een grote mislukking. De bedoeling was om het extreme noorden, Darwin, te verbinden met de grote steden in het zuiden, via Adelaide. De keuze van het traject bleek niet de meest gelukkige. Ver van de toch al schaarse dorpjes waren er vele problemen. Droogte, hitte en technische problemen zorgden ervoor dat vertragingen eerder regel dan uitzondering waren. Verder dan Alice Springs in het midden van het land kwam de lijn nooit. Gehuchten langs de spoorlijn leefden bij gratie van de lijn. Cattlefarms konden alleen maar overleven omdat de trein een keer in de zoveel tijd langs kwam. Vele gehuchten en farmsteads zijn nu compleet verlaten en veranderd in ghosttowns.

Het zijn interessante plekken om te bezoeken. Soms een paar kilometer van de weg, maar de borden zorgen ervoor dat je geen mogelijkheid tot afleiding mist. De regering heeft blijkbaar ingezien dat degene die de afstand rijdt, meestal ook wel tijd heeft om even de ‘historical markers’ te lezen. Een van de ghosttowns, Farina, is net zo indrukwekkend als de tocht ernaartoe. Sommige straatnaambordjes staan nog overeind, een aantal gebouwen zijn nog als zodanig herkenbaar, terwijl hoopjes stenen aangeven waar andere gebouwen stonden. Een bedframe, een kinderfietsje, de resten van de oven van de bakker, alles is herkenbaar, hier leefden inderdaad mensen en niet eens zo lang geleden. Het hotel international staat nog bijna geheel overeind, al is er geen enkel plafond meer en staan een aantal muren ook op het punt van instorten. Volgens het bord met de plattegrond had het plaatsje ooit 300 inwoners. Nog geen 100 jaar later zien de ruines eruit als de ruines die men in Europa soms nog vind vanuit de Romeinse tijd. Australië heeft, op de aboriginal cultuur na, niet veel geschiedenis, maar loopt snel in op de rest van de zogenaamde beschaafde wereld. Ook al is het leven er een stuk langzamer, sommige dingen gaan snel. Verval is daar het beste voorbeeld van.

Aan het eind van de eerste dag besluit ik een zijweggetje in te rijden om een slaapplek te vinden. Ik kan in mijn auto slapen, maar wil niet langs de grote weg staan, zeker niet in het donker, dus een paar kilometer van de weg tref ik een mooie plek aan. Ik word gadegeslagen door een groepje paarden, dat steeds dichterbij komt, ik heb geen idee of er ergens een boerderij in de buurt is, volgens de kaart nog zeker 15 kilometer verderop, al zal dat hier dus wel dichtbij heten. De paarden zien er niet wild uit, maar lopen wel in het wild rond. Ze komen tot een meter of tien van de auto en bekijken me kritisch terwijl ik de achterklep opendoe en daar nog even van de dag te genieten zo lang het nog licht is. Na een kwartiertje besluiten ze dat het te saai is om mij te zien lezen en lopen ze verder.

Ik kook in het donker bij het lichtje in mijn auto en een kaars die meteen de insecten op afstand zou moeten houden. Donker betekent hier ook echt donker en na het eten en de afwas lees ik nog een half uurtje bij kaarslicht, voordat ik besluit achterin mijn matje en slaapzak uit te rollen en bed te noemen. Het is nog vroeg, maar na een hele dag rijden ben ik behoorlijk moe en ik slaap al snel.

Ik word wakker vanwege de kou. Het is nog donker, de temperatuur is tijdens de nacht behoorlijk gedaald. Ik gooi mijn fleece als extra deken over mijn slaapzak en plak er nog een uurtje aanvast, maar daarna is het echt te koud. Het begint te schemeren en ik heb ondertussen genoeg uren tegen mijn oogleden aangekeken en dus besluit ik op te staan. Ik ben normaal gesproken het tegenovergestelde van een ochtendpersoon, maar hier voel ik waarom een zonsopgang in de outback door velen wordt aangeprezen. Het is een onbeschrijflijk gevoel om het langzaam licht te zien worden, elke minuut verder kijken te kunnen en uiteindelijk de zon ver achter mijn auto op te zien komen. Het is nog steeds behoorlijk fris en ik heb mijn fleece nog aan, maar ben blij zo vroeg wakker te zijn.

Een paar kilometer gereden en ik ben niet meer zo blij. Ik hoor een geluid over de radio heenkomen en als ik stop zie ik dat ik een lekke band heb. In Adelaide was me dat ook al een keer overkomen, maar dat gebeurde toevallig 50 meter van een bandenspecialist, dus 20 minuten en 20 dollar verder kon ik weer gewoon doen alsof ik een goede auto had. Nu heb ik geen keuze. Voor het eerst in mijn leven moet ik een band verwisselen. Ik ben blij dat ik in ieder geval op een steenworp van de grote weg ben, mocht ik met mijn twee linkerhanden in de problemen komen, dan komt er vast wel hulp. Ik open het vakje achter in de auto en haal een paar stukken ijzer uit de jute zak. Een is om het reservewiel onder de auto vandaan te krijgen, het tweede is de krik, er zit een stuk ijzer in waarmee ik het lekke wiel onder de auto vandaan moet toveren en nog een stuk ijzer waarmee ik eerst niet weet wat ik er mee moet, maar wat bij de krik blijkt te horen. Allereerst doe ik maar even schoenen aan en een spijkerbroek, in sandalen en korte broek verwissel je geen band. 35 minuten later rij ik verder noordwaarts, mijn goede humeur is met een overtreffende trap teruggekeerd nu het me gelukt is om zonder enige hulp een wiel te verwisselen. Ik moet nu in het eerstvolgend dorp, gelukkig maar 10 kilometer verder, de lekke band laten repareren, maar dat is een bijkomstigheid.

Deze dag lijkt op de dag van gisteren. Ik rij een paar honderd kilometer over gravelroads, zie slechts in het eerste dorpje een paar honderd meter asfalt, maar verveel me geen moment. Vanochtend vroeg zag ik een kangaroe met een joey, op een moment dat ik gelukkig erg langzaam reed en ze rustig kon laten oversteken. Nu ook weer geniet ik van de uitzichten, na elk heuveltje strekt zich de Outback weer voor me uit, slechts dankzij mijn kilometerteller en mijn kaart weet ik hoe ver ik nog ongeveer moet rijden vandaag. Een groot meer, Lake Eyre South, aan mijn rechterhand lijkt me een goed punt om een lunchpauze in te lassen. Ik rij het smalle paadje af richting het water, verbaas me over hoe lang het pad nog is, en realiseer pas na een tijdje dat het water ook hier niet aanwezig is. De lucht en de reflectie zorgden ervoor dat het leek alsof het meer vol was, maar nu zie ik dat ik eigenlijk al op de bodem rondrijd. Het meer is nu, aan het eind van de zomer, een grote zoutvlakte.

Na mijn lekke band let ik er meer op, maar eigenlijk was het me gisteren ook al opgevallen, overal langs de weg liggen lekke banden en stukken rubber. Hoe ver je ook kijkt, overal zijn de rubberen overblijfselen van mede weggebruikers zichtbaar. Ik denk nog even terug aan de enige waarschuwing die ik negeerde: zorg dat je twee reservebanden bij je hebt. De reparatie vanochtend was niet eenvoudig, volgens de man van de camping-garage-guesthouse-buurtwinkel, had ik te lang doorgereden met een lekke band en was het ding eigenlijk onrepareerbaar. Maar omdat hij geen band in het goede formaat op voorraad had, was de noodoplossing een binnenband in mijn band, met het advies om bij een volgende lekke band slechts tot de volgende garage te rijden op de gewraakte band, zeker niet verder. Het gaf me niet echt een geruststellend gevoel, wetende dat ik nog zeker 500 kilometer verwijderd was van de dichtstbijzijnde asfaltweg. Maar ondertussen gaat alles goed en heb ik eigenlijk geen keus meer. Ik ben over de helft tussen Maree, waar ik de band liet repareren en William Creek, mijn einddoel vandaag.

Het rijden op deze wegen valt eigenlijk best mee, al moet ik me absoluut houden aan het advies ‘geen haast’ en me soms inhouden om niet sneller te rijden. Meestal zit ik ergens tussen de 50 en 70, al zijn er stukken bij dat 35 al te veel is, de cassettebandjes in het dashboardkastje rammelen bijna onafgebroken, voordat ik ze kan draaien, moet ik eerst met een pen de bandjes weer strak spannen. Maar zonder bandjes is het ook niet vol te houden, op de radio kun je zo goed als niets ontvangen, vanochtend tijdens het ontbijt heb ik het nieuws nog geluisterd, maar zodra de auto beweegt kun je de radio vergeten.

Het verbaast me dan ook om een stukje voor William Creek een bord te zien staan van een radio station, FM104.5, wat ik dan ook maar meteen opzoek. Het was een van de stations waarvoor men me in Sydney al had gewaarschuwd. Als je van countrymuziek houdt kun je tevreden zijn, de rest zorgt ervoor eigen muziek mee te nemen. Ik geef het station 3 nummers de kans, maar duik dan maar weer snel in het dashboardkastje. Als ik de cassette in de hand heb, merk ik dat ik van de weg raak. Mijn linkervoorwiel is al in het mulle zand van de berm beland en ik moet met een ruk aan het stuur voorkomen dat ik vast kom te zitten. Ik slip behoorlijk en profiteer van het feit dat er, zoals je hier kunt verwachten, niemand op de weg is. De schrik is kort, ik weet dat zelfs ook al kom je slechts 20 auto’s tegen op een dag rijden, dat je juist ook hier geconcentreerd moet blijven rijden. Ik las meteen maar even een korte pauze in, een plaspauze. Een boom is wat ver gezocht, maar dat maakt hier ook niet echt, gewoon langs de kant van de weg, het rode zand wordt er niet slechter van.

Wat steeds meer opvalt zijn de vliegen. Slechts een minuutje ben ik uit mijn auto, de hitte is te verdragen, het is tenslotte herfst, in de zomer moet het hier extreem heet zijn, maar de vliegen zijn extreem irritant. Voor het eerst in mijn leven begrijp ik de foto’s en beelden die je soms ziet van Afrikaanse kinderen met een vlieg in het gezicht. Thuis pak je de vliegenmepper en ga je pas weer zitten als je het ding of hebt verjaagd of hebt gemold. Hier is er geen verjagen aan. Hoe je ook met je handen wappert en het hoofd schudt, de beestjes zijn onverjaagbaar. De deur van de auto is slechts een paar seconden geopend, maar toch zijn er meerdere vliegen die de kans hebben gekregen om me ook tijdens het rijden te storen. Maar al met al is dat het enige aspect van de outback wat me tegenstaat. Al moet ik er ook meteen aan toevoegen dat ik hier natuurlijk nooit en te nimmer zou willen wonen.

Vlak voor William Creek verschijnen de eerste zandduinen. Ik weet niet of ik een uitzondering ben, maar het eerste waaraan ik altijd dacht als het woord woestijn viel, was een eindeloze zandvlakte, een gigantisch strand, maar dan zonder zee. Zandduinen horen daarbij. Maar ondertussen weet ik dat woestijn eigenlijk niet alleen maar zand is. Misschien de Sahara wel, maar er is genoeg leven hier. Behalve de genoemde kangoeroes en paarden, zag ik schapen, emu’s en koeien, behoorlijk wat vogels en toch ook redelijk wat groene vegetatie. Als ik aankom in William Creek spreekt de dame in de pub over de Simpson desert die verder noordelijk zou beginnen. Oftewel ik heb niet eens in een woestijn gereden, ik heb slechts een voorproefje gehad. Ik vraag haar hoe het stuk wat ik in de afgelopen twee dagen gereden heb dan heet. Ze lacht en zeg dat ik eigenlijk wel gelijk heb, een echt antwoord heeft ze niet.

William Creek is een soort publiek geheim. Het staat te boek als het kleinste dorp van Australië. De bevolking fluctueert. Op dit moment wonen er geloof ik 7 mensen (al beweert de foto hierboven anders). Eigenlijk is het een pub, met een paar kamers voor degenen die willen overnachten, met een achterzaaltje dat als restaurant kan dienen, met een benzinepomp en een garage, wat zeker ook niet als luxe kan gelden en een camping aan de andere kant van de straat. De plaats is een soort van bedevaartsoord geworden voor idioten zoals ondergetekende, die de echte outback willen leren kennen. De muren hangen vol met visitekaartjes, studenten-id’s, verlopen rijbewijzen en bankpasjes, pasfoto’s en boodschappen van bezoekers die willen laten weten dat ze hier ook geweest zijn. De enige vaste bezoekers komen met een vliegtuig, er is een landingsstrip achter de pub, met een bord dat de piloot waarschuwt om niet de openbare weg op te gaan. Zo nu en dan komen er ook wat bewoners van de schapenhouder in Anna Creek.

Anna Creek bestaat eigenlijk niet, het is slechts een boerderij. Maar dan wel een boerderij die groter is dan welke boerderij dan ook ter wereld. De totale oppervlakte is ruim 30.000 vierkante kilometer, driekwart van Nederland, als ik me niet vergis moet het ongeveer de grootte van België zijn. Maar dan met slechts een paar inwoners en boel veel schapen, tienduizenden zelfs.

Ik overnacht in een kamertje dat als overnachtingverblijf is aangemerkt, ook al lijkt het meer op een gevangeniscel in een houten loods. En het is nog net zo koud als in de auto ook. De volgende dag rij ik het laatste stuk over de zandweg naar Coober Pedy, de eerste helft door Anna Creek, al zie ik geen schaap, het tweede stuk over aboriginal territory, wat betekent dat ik niet van de weg af mag. De weg is zo goed dat ik voor het eerst in de vijfde versnelling kan rijden. Eenvoudig dus, na de laatste dagen. De laatste kilometers zijn de mijnschachten van het opaalmijnstadje overal te zien. Ik ben weer terug in de bewoonde wereld. Een stad met meer dan 1 supermarkt en meerdere tankstations. En een asfaltweg. Stiekem vind ik het wel jammer.

(Coober Pedy, Australie, mei 2001)

Advertenties