Tags

, , ,

De Rembrandstraat begon een meter of 80 van mijn ouderlijk huis. Hij eindigde op zo’n 60 meter aan de andere kant van het huis waar ik mijn jeugd doorbracht. De straat was het ideale parcours voor een individuele tijdrit. Ik gok dat ik zo’n jaar of tien was, oud genoeg om alleen van huis te mogen, dus met de fiets begon ik op de hoek van de Scherpenzeelseweg en Rembrandstraat. Mijn vader had op zijn verjaardag een stopwatch gekregen, dus die leende ik dan, zodat ik de tijdrit eerlijk kon timen. Een groene knop om te starten, een rode om hem stil te zetten, de zwarte zette het ding weer op nul. Een wijzer die in een halve minuut rondging en de tijd tot op de tiende nauwkeurig aangaf, een klein wijzertje om aan te geven hoe vaak de grote al rond geweest was.

Zomervakanties konden soms wel erg lang duren. Buiten de vakanties was er voetbal en als er geen voetbal was, dan voetbalden we op het veldje met een groepje. Maar als er geen school is, zie je je vriendjes niet zo vaak, zijn er niet genoeg om te voetballen en heb je een hele hoop vrije tijd om te vullen. Al snel raakte ook ik verslaafd aan die ene wedstrijd die in ons gezin de zomer bepaalde: De Tour de France. En dus bedacht ik op een dag dat je in je eentje spelend maar 1 mogelijkheid had om de Tour na te spelen, de tijdrit.

Ik schreef de namen van de echte renners in een schoolschriftje, reed met de stopwatch naar de hoek van de Rembrandstraat, begon bij de eerste lantaarnpaal en spurtte weg. Langs de Ruysdaelstraat, waarna ik weer in het zadel plaatsnam. De kruising van de Vermeerstraat was het eerste gevaarlijke punt, maar in een woonwijk is er overdag erg weinig verkeer, dus ook dat kruispunt kon ik zonder problemen nemen. De derde zijstraat is de Frans Halsstraat, maar verkeer van links moest toch wachten, het huis van klasgenote Nicole en daarna langs het veldje waar we altijd voetbalden, op de helft van het parcours. Dan terug langs de drie schilderstraten, allemaal verkeer van links, dus weer geen probleem en finish bij het stopbord dat 50 meter voor de Scherpenzeelseweg. Ongeveer anderhalve minuut was ik onderweg. Ik fietste op mijn gemak, over de stoep, langs mijn huis over de drukke aanvoerweg terug naar het beginpunt.

Na drie of vier renners werd het niet eenvoudig de tijden nog te onthouden en keerde ik naar huis. Ik schreef de tijden in het schriftje achter de namen van de renners die ik die ochtend uit de krant had overgenomen. Dan weer terug voor de rest van het peloton. De krant was mijn enige bron van informatie, dus hoefde ik niet 180 keer het stukje te fietsen, maar na een keer of 50 was ik wel klaar. De 20 besten uit de tijdrit van de dag ervoor, de eerste 20 uit het klassement (vaak een grote overlap met die eerste 20) en alle Nederlanders.

Zoetemelk, de Nederlandse favoriet in die tijd, had meestal een goede tijd. De Kneet, tijdrijder bij uitstek ook. Op onverklaarbare wijze won de beste tijdrijder uit die tijd, Hinault, de tijdrit in de Rembrandstraat nooit. Het feit dat er achter in de straat, een jongeman op een gewone fiets en een wielerpetje op zijn hoofd werd gesignaleerd, op zijn dooie gemak fietsend, handen los, met een stopwatch om zijn nek, heeft niets te maken met eerder genoemde situatie. Als je jong bent, ben je nog chauvinistisch, dus deed zelfs streekgenoot Kuiper, die toch niet echt bekend staat als tijdrijder, het in mijn tijdrit meestal goed.

Na 2 tijdritten was de lol er wel van af. Na ruim 100 keer was het parcours zo bekend, gevaar was er niet meer. Een enkele keer reed er een auto op het parcours, afhankelijk van de renner die op dat moment reed was het pech of werd de race afgeblazen, zoals een schaatser na een valse start soms ook pas na een meter of 50 overeind komt, zat ik dan recht op mijn fiets, liet me uitvieren en keerde terug naar het begin voor een nieuwe poging.

De nieuwe uitdaging was de klimtijdrit. Een halve kilometer verder op lag namelijk de Bilderdijkstraat. Die begon met een klein heuveltje. Net genoeg om de hellingproef tijdens een rijles te oefenen, maar in het vlakke land van mijn jeugd een echte berg. Dus fietste ik iets verder om daar hetzelfde procédé weer af te werken. Op een dag vroeg mijn moeder of ik achter in de woonwijk fietste. Ik bevestigde, maar voelde al nattigheid. De klimtijdrit, die meerdere dagen in beslag nam, werd nooit uitgereden. De Zwitser Breu die we op vakantie de rit naar Alpe D’Huez hadden zien winnen, had de beste tijd tot dat moment. Het verbod van mijn ouders durfde ik niet te negeren. Pas jaren later kwam ik er achter hoe mijn moeder wist dat ik een klimtijdrit reed. Een van de bewoners van de Bilderdijkstraat had mijn moeder bij de supermarkt gewaarschuwd. Ik fietste namelijk hard en dat kon wel eens gevaarlijk zijn met het verkeer. Met terugwerkende kracht werd ik alsnog kwaad op haar. De duurste huizen van de wijk stonden er, maar verkeer kwam er niet, op een paar bewoners na die van hun werk terugkwamen. Volgens mij wilde ze gewoon geen niet-bewoners in haar straat. Gelukkig begon school weer een week later, konden we weer gewoon voetballen.

Advertenties