Tags

, ,

Na vijf jaar elke dag naar school te zijn gefietst zijn vele wielerwetten geen geheim meer voor me. Al snel is duidelijk dat het volgen van een ander veel simpeler is dan zelf de kop nemen. ’s Ochtends is het vaak een sport om zo lang mogelijk op de verzamelplek te blijven staan, zodat een ander als eerste wegfietst, met als gevolg dat de hele groep achter hen aangaan.

Wanneer je binnendoor (zelfde afstand, maar het ging niet over de grote weg, dus heette het binnendoor) fietste, kon je wel eens mazzel hebben dat een tractor met of zonder aanhanger het tempo voor je maakte. Een gierkar had als voordeel dat het ook nog eens als windvanger fungeerde, de geur was natuurlijk een flink nadeel. Een groepje wielrenners keek eens raar op toen ze een handvol jochies op gewone fietsen met schooltassen onder de snelbinder in hun wiel vonden. Als wielerfan kende ik een aantal van hen, Kistemaker, Hassink en Snoeijink waren topamateurs in die tijd. Een kilometer later sprinten ze de Herikerberg op en moeten wij lossen.

Zomer 1987 vind ik een vakantiebaantje in Hellendoorn. Ik neem het aan, ook al betekent dat een tocht van 25 km, twee keer per dag, met aan het eind van de rit de klim naar de Lutterberg. Op schooldagen kun je op anderen vertrouwen, maar nu ben ik op mezelf aangewezen. Meestal fietste ik ’s ochtends gewoon door, aan het eind van de werkdag lag het maar net aan hoe ik me voelde of ik in een uur of in bijna 2 uur naar huis fietste. Een tractor was teken voor een snelle rit, een warme dag meer geschikt voor een ijsje in Rijssen.

 

Op een avond word ik vlak achter Nijverdal ingehaald door 2 wielrenners, vader en zoon zo te zien. Ik ben blij met deze gelegenheid tot stayeren en volg hen al snel. Hun blik over de schouder is niet vrolijk. Een mooie zomeravond, even een blokje fietsen, leek de gedachte. Nu fietst er achter hun ineens iemand met een gewone fiets, een overhemd van het Avonturenpark aan, onder zijn snelbinder een trui en een lege broodtrommel. Je voelt je niet echt een goede wielrenner dan.

De zoon is een jaar of 13 schat ik. Hij heeft een echte wielerfiets, ook zijn kleding is goed. Hij moet het gaan maken over een aantal jaren. Vader fietst op een iets ouderwetser model fiets. Het lijkt me het klassieke voorbeeld van de vader die het zelf niet redde en nu zijn ambitie uit via zijn zoon. Op het voetbalveld kwam ik die elke zaterdag bij bosjes tegen. Ze kijken elkaar eens aan om te zien wat ze kunnen doen aan de profiteur in hun wiel.

Zonder woorden weten ze beiden de oplossing. Ze schakelen een tandje bij en verhogen het tempo. Ik heb maar drie versnellingen, kan dus niet meer schakelen, maar volg simpel. Duidelijk een kwestie van onderschatting. Al jaren fiets ik 30 kilometer per dag, ik voetbal nog fanatiek, ik laat me niet zo maar lossen door een stelletje recreanten. Rijssen nadert snel. Het ijsje dat ik mezelf had toegedacht moet maar een dag wachten, ik heb nu 2 goede tempomakers, ben mooi op tijd thuis.

Mazzel heb ik ook. Ze kiezen de route die ik ook elke dag neem. In de stad neemt zoon op een gegeven moment de afslag die ik ook altijd kies, een klein stukje afsnijden, een kort klimmetje. Ik blijf dus in zijn wiel. Vader gaat echter rechtdoor, fietst dus om, misschien denken ze me op die manier kwijt te raken. 300 meter verderop is het peloton weer drie man groot. Ik ken mijn wielerwetten: alleen tegen 2 tegenstanders hoef ik geen kopwerk te doen. Tussen Rijssen en Markelo loopt de weg iets af. Niet echt een afdaling, maar wel lekker om met een goed tempo te fietsen. Hun tactiek verandert. Zoon demarreert. Ik blijf in het wiel van vader zitten, die me al snel weer terugbrengt bij de zoon, tenslotte willen ze niet alleen fietsen. De tweede demarrage is andersom, maar het jochie kijkt wanhopig op als hij mij ziet zitten in zijn wiel, terwijl zijn vader 50 meter voor ons onder zijn arm door een poging doet om mij van mijn fiets te kijken. Een halve kilometer verder is de situatie weer bij het oude.

Hun gezichten staan op onweer. Ik fiets al een kilometer of tien in hun wiel. Wat een mooie avond had moeten zijn, is een straf geworden. Als je al niet iemand kunt lossen op een gewone fiets, dan is wielrenner worden waarschijnlijk ook een illusie. Smoor ik hier in mijn egoïsme een wielercarrière? Verpest ik de droom van vader die zijn zoon ooit de Tour zag winnen? Een paar kilometer verder is mijn afslag naar Goor. 2 van de mogelijkheden op het kruispunt zijn gunstig. Vader en zoon kiezen de derde. Ze gaan door naar Markelo. Rechts. Opluchting is zichtbaar als ze mij linksaf zien slaan. Ik dank hun nog vriendelijk met een armgebaar en een opgestoken duim. De vriendelijke geste wordt niet echt gewaardeerd. De laatste 5 kilometer fiets ik op mijn gemak naar huis, genietend van het mooie weer.

Advertenties