Tags

, , , , ,

Knechten voor Moeskops is natuurlijk geen schande. Hoeveel mensen krijgen überhaupt te fietsen met Moeskops? Dat ik dan niet de kopman ben, is niet meer dan logisch. Eerst sta ik mijn regenjack af. Het is weliswaar droog, maar de wind snijdt meer dan gedacht en het jasje is een goede bescherming tegen de wind. Op de tweede klim moet ik zelfs drukken. Ik laat me afzakken tot het eind van de groep en duw. Het kost mij al mijn snelheid, ik sta bijna stil en moet een extra inspanning doen om weer op gang te komen. Vlak na de klim zijn we weer bij de rest van de groep.

Aan het begin van het schooljaar kijk ik meestal op de lijst van de nieuwe klassen, op zoek naar bekende namen. Leerlingen wier ouders ik ken, of waarvan ik broers of zussen eerder heb lesgegeven. Namen uit mijn geboortedorp. Een Spaanstalige naam, wetende dat ik mijn langzaam wegzakkende Spaans zo nu en dan een beetje kan oefenen. Haar naam viel me meteen op natuurlijk. De naam Moeskops valt natuurlijk op als wielerliefhebber, daarbij komt de naam niet echt vaak voor. De vraag in de eerste les, meestal een rondje voorstellen, was dan ook voor de handliggend. `Familie van?` Ze moest even nadenken. `De wielrenner´, voeg ik toe. Ze wist het antwoord niet. ´Heel ver geloof ik`, mompelde ze. Waren mijn leerlingen altijd maar zo rustig als tijdens de eerste les, wanneer ze nog moeten wennen aan de nieuwe school, wanneer ze nog weten hoe streng (of niet) die man voor de klas is. Ik begrijp eigenlijk wel dat ze niet meteen haar hele familiestamboom in de eerste les wil uitleggen.

Later in het jaar geef ik aan haar mentor aan dat ze een niveau hoger zou kunnen, ik verwerk de cijfers, maar zie vooral dat zij lijdt onder het gedrag van haar klasgenoten en ze zou beter tot haar recht komen in een andere klas. Ze is een leuke leerling in de klas, nooit druk, wel altijd vriendelijk. En de beroemde wielrenner was een neef van haar opa. Ik moet even denken wat haar relatie met de sterke grote man was. Achteroudoom? Bestaat zoiets eigenlijk wel?

In het voorjaar gaan we met de groep van de opleiding recreatie naar Tsjechië. Omdat ik het jaar ervoor nog voetbalde en de gymleraar naar Italië gaat met een andere groep word ik toegevoegd aan de begeleiding. Voor een survival is een fitte docent nodig, schijnt de achterliggende gedachte te zijn. Naast klimmen, abseilen, puzzeltochten, een dropping, raften, boogschieten en een oriëntatietocht staat er ook mountainbiken op het programma. De groep wordt opgedeeld in twee gedeelten. De twee dames docenten fietsen met de trage groep mee, ik fiets met de snelle groep. Natuurlijk is mijn fiets de enige die niet goed is, het zadel zakt elke keer weg en ik moet van fiets verwisselen. Al snel fietsen we over de grote weg naar het bos, instructeur voorop, drie fanatieke jonge voetballers vlak achter hem en de rest er achteraan. Ik probeer achteraan de groep bij elkaar te houden, al valt dat niet mee. Wel een mooi gezicht. 12 helmpjes voor me, allemaal een inspanning leverend, iets wat ik op school niet zo vaak zie.

Op de eerste bult wordt het verschil wel duidelijk. Vooraf was ik bang dat mijn conditie niet veel zou voorstellen, die paar extra kilo´s die ik mee moet sjouwen zouden ook geen voordeel zijn. Hier zie ik dat een wedstrijdje per 2 weken op zondagochtend tussen bierbuiken en grijze koppen genoeg is om hier bij de beteren te horen. In de afdaling probeer ik iedereen weer bij elkaar te krijgen, ik fiets langs de groep om de instructeur wat af te stoppen, hij ziet niet dat achter in een aantal dames bij het minste of geringste hoogteverschil achterblijven. Ik draai terug om weer achter de groep aan te sluiten, net als we aan de tweede klim beginnen. De klim is niet zwaar, niet stijl, maar wel een stuk langer. En helemaal achteraan de groep lijdt de achterkleinnicht van de man die in de 238 pagina´s (6e druk,1981) van het schitterende boek ´Te midden der kampioenen´ van de legendarische Joris van den Bergh beschreven wordt.

Ik praat haar moed in, probeer het tempo voor haar te maken en zie dat het niet veel helpt. Ik druk haar een paar meter en geef haar een flinke zet, zodat ik zelf bijna stil kom te staan. Voor ons is de kop al over de top en verdwijnt uit zicht. Slechts een paar van de langzamere jongens zijn nog zichtbaar, maar hebben toch al een flinke voorsprong. Een klasgenote rijdt nog vlak voor ons. In de verte achter ons zie ik de langzame groep over de top van het eerste bultje komen. Ik bewonder haar moed om met de snelste groep mee te gaan en blijf bij haar tot de top van de klim. Dan laat ik me even gaan en sprint naar de kop, waar ondertussen de eerste drie al staan te wachten bij de zijweg die we het bos in nemen.

Het is heerlijk lenteweer, maar de resten sneeuw van de laatste stuiptrekkingen van de winter liggen nog op de paden die we nu nemen. Een extra handicap, maar wel een die past bij mountainbiken. Bij de eerste stop haken er twee af, ze wachten op de andere groep. Bij de volgende stop haakt ook de hoofdrolspeelster af. Ze heeft het lang geprobeerd, maar durft blijkbaar niet langer door de paden, die ondertussen van asfalt zijn overgegaan naar zand, te racen. Op een klimmetje waar de gesmolten sneeuw het zand wel heel zacht maakt, lukt het mij voor het eerst niet om van achteruit de kop weer in te halen. Ook aan mijn snel herwonnen zelfvertrouwen zit een grens. Ik geniet van de natuur, voor iemand die liever in de stad op zoek gaat naar een boekhandel toch wel raar.

Terug bij de bus is het heerlijk grasligweer. Als de tweede groep de fietsen ook heeft teruggebracht, krijg ik mijn jasje terug. Ze bedankt me hartelijk, met een vriendelijke lach. Later hoor ik haar het woord ´lief´ uiten tegen een klasgenote. Uit de flarden die ik mee krijg, concludeer ik dat het haast wel over mij moet gaan. Eigenlijk moet ik dat niet horen. Wil ze vast ook niet. Zoiets zeg je niet over een docent die bijna twee keer zo oud is.

Advertenties