Tags

, , , ,

Dat een aanrijding de aanleiding was voor mijn moeder om toch naar de ronde van Nederland te gaan kijken, is vergezocht, maar wel de waarheid. Ik had Pettachi de sprint zien winnen, regionale held Rik Reinerink op het podium zien staan en wilde terug naar mijn werk. Een winkelende jongedame dacht er anders over en reed vanuit haar parkeerhaven mijn zijkant aan diggelen. Ik moest de auto wegbrengen.

Mijn moeder had ’s ochtends de ronde door de straten van Goor zien trekken. Ze had een mooie bocht uitgezocht, omdat ze zeker wist dat de renners daar flink moesten afremmen. Als enthousiaste wielerfan stond ze omringd door toevallige voorbijgangers en toegestroomde nieuwsgierigen. Ze was de enige die stond te klappen bij de doorkomst. Helaas is het peloton snel voorbij, onvermijdelijk tijdens een vlakke etappe. Ze herkende Boogerd zo laat dat de kreet “Kom op Michael” pas klonk toen de held alweer halverwege Delden was.

Mijn moeder heeft soms last van haar benen, vooral als ze ver moet lopen of lang moet staan. Een tijdrit in Almelo was dus niet echt aantrekkelijk. Toen ik echter vertelde dat ik een mooie parkeerplek wist, vlak bij de finish werd ze enthousiast. Alleen was ze niet gegaan, nu vertrokken we halverwege de middag toch nog met zijn tweeën naar Almelo. De auto op honderd meter van het parcours, Bart Voskamp reed al bijna over onze tenen toen we op weg naar de finish liepen.

Mijn moeder is kenner. Niet dat ze de winnaar van obscure koersjes in Spanje kan vertellen, de talenten in de opleidingsploeg van de Rabo herkent of na kan vertellen wat er allemaal gebeurde in de Tour van 1964. Wel kent ze meer renners dan de gemiddelde sportliefhebber, doet ze elk jaar vol goede moed mee aan diverse tourtoto’s en herkent ze de renners niet alleen van naam, maar ook van gezicht. Terwijl ik soms nieuwe sterren al een paar jaar van naam ken, voordat ik er een gezicht bij kan plaatsen, is bij haar de situatie omgekeerd. Eenmaal gezien herkent ze elk hoofd, of de renner ook echt kan fietsen hoort ze nog wel een keer.

We lopen dus samen op weg naar de finish van de tijdrit. De speaker is druk bezig om de situatie aan de aanwezigen uit te leggen, wij blijven even staan vlak na de finish. Een mooi punt, want je kunt én de tijden horen én de renners goed zien omdat ze niet meer op volle snelheid rijden. Maar het gebied tussen de finish en de start is nog mooier. Een halve kilometer, geen verkeer en erg veel te zien. Ploegleiderwagens staan geparkeerd, renners zijn aan het warm rijden, anderen zoeken de soigneur voor ze terugkeren richting warme douche. Dit is het terrein voor mijn moeder. We hebben een tijdschema gekregen, weten hoe laat we weer bij de finish willen zijn en begeven ons in het wonderland van de wielrenners.

Meer dan eens moet ik antwoord geven op de vraag “Hoe heet denne ok a weer?” (voor degenen onder u die geen Twents spreken: “Wie is die renner die daar fietst/staat?”). We zien sprinter Kemna op een rollerbank bij het busje van Batavus warm rijden. Mijn moeder is vooral op zoek naar Svorada. Camera in de aanslag, want hij kan elk moment ergens opduiken en de foto moet natuurlijk snel geschoten worden. Vorig jaar is ze in haar eentje naar de start van de etappe in Markelo wezen kijken. Vooral het laatste uur voor de start vond ze prachtig. Ze had Jalabert gezien, Boogerd natuurlijk, maar ook Knaven weer. Die had ze voor het begin van de proloog van Olympia’s tour een jaar of tien geleden al een keer succes gewenst. “Dank je wel mevrouw”, had hij geantwoord. Sindsdien kan Knaven natuurlijk niet meer kapot. Ze had Museeuw in Markelo graag willen vragen wat hij er nou werkelijk van vond dat Virenque bij hem in de ploeg kwam, maar durfde het uiteindelijk toch niet aan om hem aan te spreken. Maar vooral had ze Svorada in het gezicht gekeken en was ze er achter gekomen hoe knap de Tsjech eigenlijk was. “Heb ik al die jaren zitten slapen!”

Dit jaar moet Svorada dus maar op de foto, maar de Tsjech in Italiaanse dienst laat zich voorlopig nog niet zien. Langs het tankstation lopen we naar het startpodium, waar we een handjevol renners zien vertrekken. Leuk, maar het houdt de aandacht niet echt vast. Terug naar de parkeerplaats achter het tankstation. Daar staan de bussen van de ploegen, daar rijden de renners in of uit. Het meeste volk staat natuurlijk bij de bus van de Rabobank. Boogerd heeft zijn tijdrit er al opzitten en is dus ontspannen, hij praat met zijn collega naast hem. Het volk staat en staart, een enkeling maakt een foto. Mijn moeder wil natuurlijk ook een foto. Maar wat heb je aan een foto van een renner op een rolbank als hij niet in de camera kijkt. “Michael”, schreeuwt ze. Boogerd hoort iets, maar weet niet waar het vandaan komt. “Michael!”, Iets harder deze keer en de Hagenees kijkt naar de zijkant maar weet nog steeds niet wie hem roept. Het volk maakt iets ruimte voor mijn moeder, een typisch Twents publiek. Altijd iets afwachtend en vooral niet anders durven zijn. Ze kijken geamuseerd toe, maar willen natuurlijk niet bij haar staan. Niet gehinderd door enige gene zwaait mijn moeder “Hier” roepend naar Boogerd, die zijn tandvlees nog eens laat zien en dus perfect op de foto staat.

Een bus verder is het rustiger. Van Bon en Koerts staan allebei wat hoger in het klassement, ze zijn dus nog aan het warm rijden. Omdat er minder publiek staat, kan mijn moeder tot vlak voor de renners komen. Op een dikke meter is een lint, waar ze dus niet verder kan. Echter, het is nog steeds geen mooie foto. De bovenkant van het hoofd is niet wat je terug wil zien op tien bij vijftien centimeter. “Leo”, vraagt mijn moeder. Helaas heeft mijn moeder nog wel eens een probleem met het onthouden van de juiste naam. Vriendjes en vriendinnetjes die vroeger bij ons thuis kwamen, wisten nooit hoe ze aangesproken werden. Op de een of andere manier lukt het met namen niet helemaal. In de database die haar hersenen vormen, kan ze vertellen wie de ouders zijn, wat die doen, wanneer het broertje jarig is, bij welk vak op school ze problemen hadden, maar de juiste naam vormt nog wel eens een probleem. Ze kent mijn klasgenoten van de kleuterschool nog allemaal, weet wat ze doen, met wie ze getrouwd zijn, hoeveel kinderen ze hebben en bij welke voetbalclub die spelen, kan daar uren over vertellen, de achternaam klopt ook, maar de voornaam blijft een probleem.

“Leo”, probeert ze het nog maar een keer. Ze kan waarschijnlijk zonder enige problemen een dozijn hoogtepunten uit de loopbaan van Van Bon opnoemen, maar is op dit moment even onwetend van het feit dat die jongen Leon heet. En Van Bon kijkt ook niet op. Of hij geïrriteerd is door het feit dat ze zijn naam verkeerd heeft – het scheelt maar een letter tenslotte – of dat hij geconcentreerd aan het inrijden is, is niet duidelijk. Zeker is dat hij niet heeft gerekend op het doorzettingsvermogen van mijn moeder. Ze moet en zal nu een foto nemen. “Leo”, klinkt het voor de derde keer. Iets minder vragend, iets dwingender. Van Bon kijkt even op, benieuwd wie hem nu al drie keer roept en krijgt als dank van een meter afstand de flits van een goedkope fotocamera in zijn gezicht. Ze bedankt hem netjes voor ze wegloopt. Ze is misschien zonder schaamte, maar zeker niet zonder manieren en komt weer naar het midden van de parkeerplaats waar ik het hele spel van een afstandje heb staan volgen. Koerts hoeft niet op de foto. Ook Romme, die bij een auto staat te praten, heeft niet haar interesse. We zijn hier voor het wielrennen, met schaatsers heeft ze vandaag niets te maken.

We lopen terug richting finish, het laatste uur is begonnen, de toppers uit het klassement zijn aan de beurt. De geparkeerde auto van de NOS moet wel even goed bekeken worden. Ze weet niet wat ze zoekt, waarom ze naar binnen kijkt, maar haar nieuwsgierigheid dwingt haar om toch even te kijken of er wat in ligt. Niets dus. Rik Reinerink staat nu bij het busje van de Batavus ploeg. Zijn schoonzusje werkt bij mijn vader, ik voetbalde ooit een paar wedstrijden met zijn broer, dus eigenlijk kennen we hem persoonlijk. Niet dat we hem ooit zelf spraken, maar dat is ook niet relevant.

We besluiten om een paar honderd meter na de finish te blijven staan. Zitten op de vluchtheuvel midden in de weg in haar geval. We zijn al een paar uur hier tenslotte, even zitten heeft ze wel verdiend. Het voordeel van dit plekje is dat het niet alleen erg rustig is, maar ook dat diverse renners hier erg rustig voorbijkomen of zelfs stoppen. Freire komt langsrijden en draait vlak achter ons om om bij de ploegleiderwagen van Vanderaerden te komen. Hij kijkt erg nors en zegt geen woord. Niet iemand die je stoort om even voor een foto met mijn moeder te poseren. Hij zit al in de auto, terwijl Vanderaerden zijn fiets op het dak zet en Dierkcksens langs komt fietsen en de voormalige vedette voor ‘Paljaske” uitmaakt. Even later komt de favoriete Lampre renner langs. De zonnebril en pet maken het wel moeilijk om te zien of het hem nu wel of niet is. De foto moet nog ontwikkeld worden, maar dan kunnen we toch trots zeggen dat het echt de rugzak en de kont van Svorada zijn die daar duidelijk zichtbaar zijn.

Steels komt langs en kijkt ook niet echt vrolijk. We wachten nog op de tijd, de speaker is even stil, maar mijn moeder heeft de conclusie al getrokken. “Jammer dan”, is het commentaar voor de Belgische kampioen als hij langskomt. Honderd meter verder draait hij om. Spelend op zijn agressief gedrag in het verleden, probeer ik mijn moeder bang te maken. “Hij hoorde je, hij komt terug”. Even kijkt ze verschrikt. “Hij weet zijn tijd nog niet eens, maar jij hebt het al over jammer”, probeer ik haar nog iets op te jutten. Steels verdwijnt een zijweg in, op weg naar zijn hotel, mijn moeder kan rustig blijven zitten.

Uiteindelijk is Peña de winnaar van de tijdrit. Van de derde rij zien we Reinerink, Zabel en Peña de truien en bijbehorende bloemen in ontvangst nemen. Als de ceremonie voorbij is, lopen we tevreden terug naar de auto. Een mooie middag. Vlak achter het podium zien we echter dat de winnaar van de dag net wordt aangehouden door de directeur van CycloSim voor een aantal foto’s. Gelukkig spreek ik een paar woorden Spaans en vraag Victor Hugo of hij nog even wil wachten, zodat ik ook een foto van hem met mijn moeder kan maken. Trots gaat ze naast de winnaar staan en mompelt nog wat in Engels dat de Colombiaan niet begrijpt, maar met een beleefd “Okay” beantwoordt. Ik neem de foto, de perfecte afsluiting van een prachtige middag. Etxebarria was al uit beeld, Svorada heeft ook een beetje afgedaan, mijn moeder heeft een nieuwe held. Volgend jaar tijdens de tourtoto zal een naam zeker op het papier verschijnen. Over Armstrong, Zabel en Ullrich zijn de meningen nog verdeeld, maar Victor Hugo Peña staat zeker op een papier in juli.

Advertenties